Waarom deze KNVB-revolutie goed nieuws belooft

De afgelopen weken is commotie ontstaan over een grote hervorming van het Nederlandse voetbal. De KNVB heeft namelijk besloten om per ingang van de zomer van 2017 met de pupillen in kleinere ruimte te gaan spelen. Een keuze met verstrekkende gevolgen, die een inhoudelijke beschouwing verdient. Dit artikel is een zoektocht naar de oorsprong van het nieuwste KNVB-plan, het proces dat is gevolgd en de redenen achter de veranderingen. De pupillenrevolutie in zeven vragen en antwoorden.

Foto: Anton-Jan Thijssen

Foto: Anton-Jan Thijssen


De directie en commissarissen van de KNVB zitten op de schopstoel. In Zeist lijkt een chaos te heersen. Kunnen we redelijkerwijs verwachten dat een dergelijke organisatie met een goed plan op tafel komt?

Dit is een serieus punt van zorg. De afgelopen jaren hebben we namelijk uiterst kritisch geschreven over de KNVB. Over de omstreden aanstelling van bondscoach Danny Blind. Over de tactische problemen van Oranje. Over de onzin die uitgekraamd werd na het mislopen van het EK. Over het hilarische symposium dat het Nederlandse voetbal moest gaan redden. En we publiceerden een kritische beschouwing op het plan ‘Winnaars van Morgen’, waarin we ook ruimte maakten voor een positievere noot.

Toch moet het kind niet met het badwater weggegooid worden. Dat de KNVB de afgelopen jaren niet heeft uitgeblonken in het nemen van goede beslissingen, betekent niet automatisch dat het plan voor het pupillenvoetbal slecht is. Vanwege de invloed die deze hervormingen in de onderbouw gaan hebben op de prestatie van onze topvoetballers, dienen deze beoordeeld te worden op basis van de inhoud en niet op basis van de afzender.

De omwenteling is een overval, want clubs hebben geen inspraak gehad. Dit kan toch niet de bedoeling zijn?

Wanneer je de ontwikkelingen in het jeugdvoetbal niet op de voet gevolgd hebt, dan kan deze hervorming inderdaad aanvoelen als een overval. Toch is er een zorgvuldig proces voorafgegaan aan het besluit om in kleinere ruimtes te gaan spelen.

Ajax gaf in januari 2014 de eerste aanzet voor de huidige hervorming met het opstarten van Twin Games. Dit gebeurde in een wilde competitie (met samenwerkende amateurclubs), aangezien de KNVB niet direct in staat was om dit experiment te faciliteren. PSV was ook al gestart met een dergelijk initiatief en adopteerde als een van de eerste clubs de Twin Games. De KNVB volgde snel door een pilot (voor Onder-9, Onder-10 en Onder-11) uit te rollen voor het seizoen 2014/15. Een jaargang later is deze pilotcompetitie verder uitgebreid met meer clubs en doorgetrokken naar Onder-12. Op dit moment spelen alle profclubs in Nederland behalve Feyenoord vrijwillig mee. Voor alle profopleidingen zijn de Twin Games dus de facto al de nieuwe wedstrijdvorm geworden. Bovendien hebben veel BVO’s samenwerkingsverbanden met amateurclubs, die via dat partnership reeds kennis gemaakt hebben met deze nieuwe spelvormen via oefenwedstrijden, toernooien en informatiebijeenkomsten.

Bij de overleggen tussen de hoofden opleidingen van de verschillende BVO’s staat dit thema ook al jaren op de agenda. De grote meerderheid toont zich in deze vergaderingen positief over het doorzetten en uitbreiden van de pilot met de Twin Games. Bovendien is er democratisch besloten over het spelen in kleinere ruimtes, want dit was een onderdeel van het plan ‘Winnaars van Morgen’. Dat is unaniem aangenomen door de clubs uit het betaalde voetbal. Ook de amateurclubs hebben via de ledenraad instemming gegeven over ‘Winnaars van Morgen’ en de aanpassingen voor het pupillenvoetbal zijn tevens besproken op het voorzitterscongres.

Daarnaast gaat de KNVB de komende periode op bezoek bij tachtig voetbalverenigingen om de plannen over de nieuwe wedstrijdvormen verder toe te lichten. Meer dan vierduizend personen van bijna vijftienhonderd verenigingen hebben zich reeds aangemeld voor deze bijeenkomsten. Op basis hiervan wordt besloten of per ingang van het seizoen 2017/18 begonnen kan worden met de nieuwe wedstrijdvormen.

Eigenlijk kan het dus alleen een overval zijn voor mensen die de ontwikkelingen in het pupillenvoetbal niet op de voet volgen, niet de moeite nemen om rapporten te lezen en niet op de hoogte zijn van eerdere democratische stemmingen. Misschien valt dat de KNVB niet aan te rekenen.

Als het buitenland vindt dat het pupillenvoetbal in Nederland beter georganiseerd is dan waar ook ter wereld, waarom gaan we dan in vredesnaam iets aanpassen?

Er zullen ongetwijfeld mensen in het buitenland te vinden zijn die onder de indruk zijn van de staat van ons pupillenvoetbal. Wat betreft de uitstekende infrastructuur is dat ook terecht, maar de vraag is of dat ook geldt voor onze huidige wedstrijdvormen en de uiteindelijke kwaliteit van in Nederland opgeleide jeugdspelers. Bij recente herstructureringen van wedstrijdvormen en jeugdcompetities werd de afgelopen jaren in Engeland, Denemarken, Duitsland en België namelijk gekozen voor het spelen in kleinere ruimtes en kleinere aantallen.

Deze internationale ontwikkelingen zijn voor toenmalig hoofd opleiding Wim Jonk de aanleiding geweest om bij Ajax te beginnen met het spelen in kleinere ruimtes. ‘Als je kijkt naar landen als België, Spanje en Portugal, dan zie je dat die al langer in kleinere ruimtes spelen. Het effect zie je altijd pas na langere tijd, want we praten hier over de jongste jeugd. De resultaten daar spreken voor zich en zijn echt niet alleen een kwestie van een goede lichting. Als we zo gaan denken, dan kunnen we allemaal achterover gaan leunen en afwachten tot de zon vanzelf weer een keer gaat schijnen. Het gaat om visie en om daadkracht; legt hij uit tegenover Catenaccio.

‘Het was wel duidelijk dat de veldafmetingen voor pupillen veel te groot waren’, vult Michel Hordijk, destijds technisch manager in de onderbouw van Ajax, aan. ‘Dat was niet alleen een kwestie van observeren en logisch nadenken, we konden het ook testen in de praktijk. Zo zijn we aan de slag gegaan op de trainingen, met allerlei afmetingen en samenstellingen. Net zolang tot we voor iedere leeftijdsgroep een volgens ons ideale vorm te pakken hadden.’

Jonk constateert dat de Twin Games de meest passende wedstrijdvorm zijn voor pupillen en daarbij een broodnodige compensatie voor het verdwenen straatvoetbal. ‘Eén van de mooiste dingen vind ik dat je bij deze spelvormen het natuurlijk gedrag van kinderen terug ziet keren. Het spel golft op en neer. Als een bal uit is, dan geven die jongens hem automatisch terug aan de ander. Je hebt geen ingooi, spelers dribbelen in. Keepers doen mee in het spel en hebben veel meer te doen, dus die worden completer. En scheidsrechters zijn eigenlijk niet meer nodig, net als op straat. Bij de Twin Games deden trainers dat vaak zelf. Je zag dus echt de principes van het straatvoetbal terug. En dat is precies wat we wilden bereiken.’

Als de traditionele topclubs niet allemaal een voorstander zijn van het plan, dan is het toch erg dom van de KNVB om het er toch doorheen te drukken?

De vraag is of deze stelling klopt. De realiteit lijkt anders uit te wijzen. Zoals gezegd doen alle profclubs vrijwillig mee aan de Twin Games-competities, uitgezonderd Feyenoord. Ajax en PSV zijn zelfs nog eerder dan de KNVB gestart met het spelen in kleinere ruimtes. Navraag leert dan ook dat de Amsterdammers en Eindhovenaren alles behalve tegenstanders zijn van de hervormingen. Overigens heeft Percy van Lierop, de huidige technisch manager van de onderbouw van Ajax, in de laatste vergadering wat kleine wijzigingen voorgesteld wat betreft wedstrijdvormen. Daarbij staat het idee dat in kleinere ruimtes gespeeld moet gaan worden echter geen moment ter discussie.

Er is bijna geen expert te vinden die een voorstander is van dit plan. Dat geeft toch te denken over de inhoud?

Hierbij is het vooral interessant wat de definitie is van een expert. Vaak wordt verondersteld dat het nuttig is om prominente ex-voetballers of trainers te vragen naar hun mening. De vraag is echter gerechtvaardigd of zij wel voldoende bekend zijn met pupillenvoetbal. Een coach van een eerste elftal heeft het veel te druk met zijn eigen team om wedstrijden en trainingen uit de onderbouw te bekijken. Voordat de jeugdspelers die daar actief zijn klaar zijn voor het grote werk, is hij namelijk alweer vertrokken. Het zou zo kunnen zijn dat ex-voetballers bij het vormen van hun mening vooral terugvallen op hun eigen ervaringen als jonge speler. Die zullen in vrijwel alle gevallen positief zijn, want het is hun opmaat gebleken naar een succesvolle loopbaan. Dus nee, deze mensen gaan waarschijnlijk het nut van verandering niet inzien.

Jeugdtrainers die dagelijks actief zijn in de onderbouw laten vaak een ander geluid horen. Zij worden namelijk geconfronteerd met de gevolgen van het feit dat de populariteit van straatvoetbal sterk afneemt. Wat jeugdspelers hierdoor missen zijn kleine partijvormen, waarbij de technische, tactische en fysieke component tegelijkertijd getraind worden. Geconstateerd kan worden dat Nederland een schrijnend gebrek heeft aan spelers die in de steeds kleiner wordende ruimtes die het hedendaagse voetbal kenmerken met technische hoogstandjes het verschil kunnen maken. Dit is de reden dat het merendeel van de hoofden opleidingen van profclubs enthousiast is over de plannen van de KNVB.

Nota bene Johan Cruijff was ook content met de ontwikkelingen in de onderbouw. Jonk, die zich tegenwoordig bezighoudt met de legacy van Cruijff, voerde de wijzigingen in de onderbouw door in overleg met de voormalig nummer veertien. ‘Johan was positief, want dit past precies in onze visie. We hebben hem ook op de hoogte gehouden. Johan was groot voorstander van 6-tegen-6, omdat zijn ideeën over voetbal daarin het beste tot uiting komen. Dan kun je overal en altijd driehoekjes maken. Hij was fel tegen de 7-tegen-7 vorm die nu nog veel gebruikt wordt. Het verbeteren van de basistechniek van jeugdspelers was één van de hoofdpunten van het Plan Cruijff. Johan en ik hebben steeds gezegd: de cultuur van het straatvoetbal moet terug in de opleiding. De Twin Games passen in dat plaatje, want alles begint bij de pupillen. Het is mooi dat we dit op de kaart hebben kunnen zetten, maar we zijn steeds opgetrokken met andere BVO’s en de KNVB.’

Voormalig manager jeugdscouting Jasper van Leeuwen was nauw betrokken bij de aanpassingen. ‘Uitgangspunt was dat scouting meer is dan alleen maar de beste talenten vinden en aan je binden. Het verdwijnen van het straatvoetbal heeft grote consequenties voor de kwaliteit van het voetbal, want kinderen van nu maken veel minder uren aan de bal en ze bewegen minder. Bij Ajax hadden we ruim zestig jeugdscouts lopen. Die doen dat werk al jaren en kunnen zo’n patroon goed herkennen. Hetzelfde geldt voor jeugdtrainers. Als je constateert dat de jongste jeugd technisch en motorisch achteruit gaat, dan moet je aan de slag.”

‘Het is goed dat er nu tijd wordt uitgetrokken om mensen te informeren en voor te bereiden’, vervolgt Jonk over het implementatietraject. ‘Veel amateurclubs zullen weleens van de Twin Games gehoord hebben, maar er zijn vast ook mensen voor wie het nieuw is. Het belangrijkste is dat dit het Nederlandse voetbal verder kan helpen. Als je pupillen jarenlang in de verkeerde omstandigheden laat spelen, dan creëer je een achterstand die je later moeilijk kan inlopen. Goede ontwikkelingen moet je aangrijpen. Weerstand tegen verandering is normaal, maar conservatisme gaat ons voetbal niet verder helpen. De voetbaltechnische argumenten moeten altijd centraal blijven staan.’

De KNVB zegt dat dit plan tot stand is gekomen in samenwerking met experts uit binnen- en buitenland, coaches, scheidsrechters, ouders en de kinderen zelf. Klopt dat eigenlijk wel?

Ja, dit klopt. Aan deze hervormingen ligt een rapport van 190 pagina’s ten grondslag met meer dan honderd referenties, waarvan het gros naar wetenschappelijke artikelen. Daarin zit tevens een wetenschappelijk onderzoek opgenomen, met zowel een kwantitatieve als kwalitatieve component. Dat klinkt als een saai boekwerk waar amper doorheen te komen valt. En dat is het ook. Zo word je overspoeld met termen als ‘evidence-based sportparticipatiemodel’, ‘early engagement pathway’, ‘deliberate play’ en ‘zone of proximal development’.

Het punt is dat het opleiden van jeugd complexe materie is, wat meestal niet te vangen is in sappige quotes en klinkende soundbites. Je kunt nu eenmaal moeilijk de helft van Nederland gaan opleiden volgens de oude methode en de helft via de nieuwe methode en over twintig jaar kijken wat de resultaten zijn. En zelfs in een dergelijke opzet is het onmogelijk om alle mogelijke interveniërende variabelen te controleren. Het opleiden van jonge voetballers is namelijk een dynamisch, complex proces met een cyclisch verloop. Bovendien liggen oorzaak en gevolg niet dicht bij elkaar in tijd en ruimte. Het is daarom volksverlakkerij om met grote zekerheid en zonder nuance uitspraken te doen over de gevolgen van de nieuwe wedstrijdvormen. Hoogstens kan je op basis van een theoretisch kader en empirisch onderzoek een indicatie geven van de meest waarschijnlijke effecten. Dat is misschien saai, maar wel eerlijk.

Door het schetsen van een kader en het aanhalen van relevante onderzoeken vormt het KNVB-rapport een goed startpunt voor een inhoudelijke discussie. Sterk is dat de voetbalbond expliciet maakt wat de doelstellingen zijn in de onderbouw: spelplezier en een optimale ontwikkeling in een veilige omgeving voor een jeugdspeler in de hele voetbalpiramide. Vervolgens worden op basis van biologische, sociaal-emotionele en cognitief-psychologische leerprocessen per leeftijdscategorie relevante doelen opgesteld. Deze worden uitgedrukt in concrete voetbalhandelingen, die ingedeeld worden naar de drie teamfuncties: aanvallen, verdedigen en omschakelen. Door middel van vergelijkingen met andere sporten en andere landen wordt verder uitgewerkt wat de effecten kunnen zijn van het aanpassen van wedstrijdvormen op specifieke handelingen.

De conclusies van de verschillende onderzoeken naar wedstrijdvormen laten een duidelijk beeld zien. In de onderbouw heeft het voetballen in kleinere ruimtes een positief effect op aanvallende voetbalhandelingen, zoals dribbelen, passen, balcontroles en schieten. Een onderzoek dat de KNVB in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen heeft uitgevoerd, wijst in dezelfde richting. Daarin participeerden 250 jeugdspelers (jongens en meiden), waarvan de helft actief was bij een BVO en de helft bij een amateurclub. Daaruit blijkt dat er in partijvormen met minder spelers in vrijwel alle leeftijdscategorieën meer opgebouwd wordt, terwijl ook wat betreft storen vaak een significant positieve relatie is.

Daarnaast is door middel van interviews en enquêtes onder hoofden jeugdopleiding, trainers en ouders duidelijk geworden dat de Twin Games veel positiever beoordeeld worden dan de huidige wedstrijdvormen. Over de huidige opzet is meer dan zeventig procent van de ondervraagden negatief. De Twin Games worden juist als erg leuk ervaren: het spel gaat sneller en de ruimte is een stuk kleiner, waardoor kinderen meer voetbalhandelingen kunnen toepassen.

Op basis van de literatuur over dit onderwerp en het eigen onderzoek is de KNVB uiteindelijk gekomen tot nieuwe wedstrijdvormen, die staan weergegeven in onderstaande infographic.

infographic

De aantallen kunnen bij de amateurs licht afwijken, zodat alle spelers daar aan speelminuten kunnen komen.

De 2-tegen-2-vorm lijkt de meeste weerstand op te wekken. Hordijk, die ook deel uitmaakte van de werkgroep die de wedstrijdvormen besproken heeft, verklaart de keuze voor deze manier van spelen bij de Onder-6. ‘Het brein van kinderen op die leeftijd kan meer ingewikkelde spelvormen ook nog niet aan. Bij 2-tegen-2 zijn er drie mogelijkheden: dribbelen, één passing optie of scoren. Dat is al heel complex op die leeftijd. In België hebben ze dat goed gezien en is deze spelvorm al succesvol. Daarna, dus vanaf de Onder-7, wordt het 4-tegen-4. Daar verandert dus niks. Vanaf de Onder-8 ga je van 7-tegen-7 op een half veld naar 6-tegen-6 op een kwart veld, dat is een grote verbetering. De Onder-11 en Onder-12 spelen 8-tegen-8 op een half veld en vanaf Onder-13 is het 11-tegen-11 op het hele veld. Er zit dus een logische en geleidelijke opbouw in.’

In onderstaande filmpjes wordt visueel gemaakt wat het verschil is tussen de oude en nieuwe wedstrijdvorm in België, waar bij de Onder-6 reeds twee tegen twee gespeeld wordt.

*Video uit persoonlijk archief Bob Browaeys

Maar zijn er dan helemaal geen nadelen aan dit plan?

Natuurlijk zijn die er wel. Zoals gezegd is het opleiden van voetballers een complex proces en dus bestaat er geen geplaveide weg naar de top. De eerste hobbel die genomen moet gaan worden, is van organisatorische aard. Het vergt veel van amateurclubs om het complex klaar te maken voor andere wedstrijdvormen. Het veld moet anders ingedeeld worden, er moeten nieuwe doelen komen, en ga zo maar door. Toch kan dit geen onneembare horde zijn, want in onze omliggende landen is eerder met succes een dergelijke wijziging doorgevoerd. De moeilijkheden die dit ongetwijfeld oplevert, zijn de inspanning waard als je gelooft dat de aanpassing gaat leiden tot het gewenste resultaat.

Een risico van het wijzigen van de opzet kan zijn dat het uiteindelijke hoofddoel – geschikte topvoetballers opleiden voor het spelen van elf tegen elf – uit het oog verloren wordt. Het spelen met kleinere aantallen in kleinere ruimtes zorgt ervoor dat pupillen meer balcontacten en keuzemomenten aan de bal hebben. Tegelijkertijd worden andere kwaliteiten minder getraind, zoals het hanteren van de lange crosspass en het maken van (de keuze voor) lange sprints in de diepte.

Bij het geven van een antwoord op de vraag welk soort voetbalhandelingen gestimuleerd moeten worden in de onderbouw, is behalve het ontwikkelingsstadium van het kind ook de beoogde speelwijze cruciaal. Het einddoel bepaalt altijd de route. Voor het maken van pannenkoeken heb je andere ingrediënten nodig dan voor macaroni. Net als in eerdere rapporten blijft de KNVB opnieuw vaag over het gewenste eindproduct. Het is leuk om technische ontwikkeling te stimuleren in de onderbouw, maar je hebt er weinig aan als je bij de profs à la Noord-Ierland met fysiek geweld en defensief voetbal de strijd aan wil gaan. Als hierin de afstemming ontbreekt, kan een mismatch ontstaan.

Concluderend kan gesteld worden dat de pupillenrevolutie van de KNVB veel goeds belooft, mits Nederland zich net als België en Duitsland richt op het ontwikkelen van voetballers om dominant voetbal te spelen. In de nieuwe wedstrijdvormen worden talenten namelijk vaker in situaties gebracht waarin ze in kleine ruimtes een man kunnen passeren of een steekbal kunnen geven. Dat is iets waar het Nederlands voetbal naar snakt nu Arjen Robben en Wesley Sneijder op leeftijd raken en hun directe opvolgers zich nog niet hebben aangediend. Zonder spelers met deze extra kwaliteiten is het nu eenmaal een utopie om resultaat te boeken met attractief spel.

 

 

 

 

About Pieter Zwart

Pieter is naast eindredacteur bij Catenaccio ook bureauredacteur bij Voetbal International. Hij is al vanaf het begin betrokken bij Catenaccio. Pieter richt zich vooral op financiële en tactische analyses, maar schrijft ook andere onderzoeksartikelen. Volg Pieter op Twitter | Meer artikelen van Pieter