Voetbal speel je met je hoofd

Thomas Müller behoort tot de beste voetballers van de wereld. Hij was een belangrijke schakel in het Duitsland dat wereldkampioen werd en hij hielp zijn club Bayern aan diverse landskampioenschappen en een Champions League. Toch ziet Müller er niet uit als een goede voetballer: hij loopt niet soepel, zijn balbehandeling is niet verfijnd en hij heeft geen mooie traptechniek. Müller blinkt echter uit in een onzichtbaar, onderschat aspect in het voetbal: cognitieve vaardigheden. In dit stuk zoomen we in op een belangrijk onderdeel van die vaardigheden.

Om een goede voetballer te worden, moet een speler vaardigheden ontwikkelen op allerlei gebieden. Zo moet hij op fysiek terrein onder meer snelheid, kracht en uithoudingsvermogen ontwikkelen. Op technisch gebied moet hij bijvoorbeeld de beschikking krijgen over een goede balbeheersing en op mentaal gebied moet hij onder andere voetbalinzicht en een topsportmindset ontwikkelen. Met cognitieve vaardigheden doelen we op de hersenfuncties die gebruikt worden tijdens het voetballen. Je hersenen regelen heel veel: zo bepalen ze mede waar je een bal heen speelt, hoe hard je hem passt en op welke wijze je hem verstuurt. De benen voeren in feite uit wat de hersenen bedenken.

schermafbeelding-2016-10-04-om-22-08-46

Een exploratie van vaardigheden die een voetballer nodig heeft. (Klik op de afbeelding voor grotere weergave)

Er zijn talloze cognitieve vaardigheden. Een van die vaardigheden is awareness of bewustzijn. Bewustzijn in het voetbal is op het gebied van cognitieve vaardigheden in drie fases in te delen: kijkgedrag, ruimtelijke oriëntatie en het maken van een beslissing. Tussen de fases door speelt een vierde factor een rol: informatieverwerking. Hoe snel de informatie verwerkt wordt, verschilt per speler. Het fasemodel is een schematische weergave van een theorie van de werkelijkheid; niet elke handeling doorloopt deze volgorde van fasen.

Hoe goed het hele proces verloopt, is natuurlijk niet slechts afhankelijk van de eerder genoemde cognitieve vaardigheden. Fysieke, technische en andere mentale vaardigheden zijn van groot belang voor de uitvoering. Een speler kan nog zo goed kijken en een juiste beslissing gemaakt hebben; zijn steekpass zal alleen aankomen als hij over een fatsoenlijke traptechniek beschikt.

Fase 1: Kijkgedrag

Al op jonge leeftijd kreeg Frank Lampard training van zijn vader. Een van de voornaamste onderdelen is kijkgedrag. Hij leerde zijn zoon aan goed om zich heen te kijken tijdens het spelen van een wedstrijd. Maak foto’s, luidde het advies van Lampard senior. Lampard ging gretig aan de slag met die wijze les. Hij trainde en trainde, totdat het om zich heen kijken voor de balaanname een automatisme werd. Zelfs op late leeftijd bleef de voormalig Chelsea-middenvelder om zich heen kijken. Een video uit een presentatie van Geir Jordet laat zien dat dat zijn vruchten afwerpt:

Het scannen van Lampard noemen we in het voetbal kijkgedrag. We richten ons op kijkgedrag in drie verschillende fases. De eerste fase is het kijkgedrag voordat je de bal ontvangt, de tweede is het rondkijken tijdens de voetbalhandeling (zoals een aanname of dribbel) en de derde fase is de laatste scan na de actie.

Voor het gemak gebruiken we even een voorbeeld met de balaanname. De eerste fase is belangrijk voor de aanname: als een speler ziet dat er iemand in zijn rug zit, dan draait hij natuurlijk niet open. Het kijkgedrag tijdens de aanname bepaalt voor een belangrijk deel het vervolg op de aanname. Als de speler ziet dat een ploeggenoot vrij staat, dan zal hij de bal onmiddellijk doorspelen. Staat er niemand vrij en heeft hij ruimte om door te dribbelen, dan zal hij vermoedelijk wachten met een pass. Het kijkgedrag na de aanname bepaalt vervolgens waar de bal naar toe gespeeld wordt. Ook wordt deze fase gebruikt om een beslissing te heroverwegen: een soort laatste check dus. (Kijkgedrag komt uiteraard ook op andere momenten voor. Verdedigers kunnen bijvoorbeeld om zich heen kijken om te zien waar aanvallers van de tegenstanders zich bevinden.)

De positie waarop een speler speelt, bepaalt voor een belangrijk deel waar hij kijkt. Voor een speler die aan de zijkant speelt is naar achteren kijken minder relevant dan een centrale middenvelder, die continu over zijn schouders kijkt om te zien of hij het spel naar de andere kant kan verleggen. Voorbeelden van spelers die vaak om zich heen kijken zijn Lampard en Gerrard. Uit Noors onderzoek van Geir Jordet blijkt dat zij gemiddeld respectievelijk 0,62 keer en 0,61 keer per seconde om zich heen kijken. Xavi zit zelfs boven de 0,80.

In de voetballerij worden pogingen gedaan om kijkgedrag trainbaar te maken, bijvoorbeeld met de fascinerende installatie Footbonaut die onder andere bij Borussia Dortmund wordt gebruikt. De Footbonaut is een voetbalveld omsloten door een muur met allerlei vakken. Op het moment dat de speler de bal ontvangt uit een rood vak, moet hij de bal zo snel mogelijk in een groen vak spelen. Het vak wordt echter pas vlak voor de balaanname groen. De speler wordt zo gedwongen om te kijken tijdens en na zijn aanname. Het tempo wordt ook nog eens opgevoerd, wat ervoor zorgt dat de speler steeds sneller moet handelen.

Een ander voorbeeld staat in dit uitstekende stuk uit De Voetbaltrainer. Daarin legt Jan van Norel, inspanningsfysioloog van Vitesse, uit hoe ze gebruik maken van een stroboscoopbril om kijkgededrag te verbeteren:  “Een stroboscoopbril is een bril waarmee we het kijkgedrag van spelers kunnen manipuleren en meten. Zo’n apparaat, dat lijkt op een zonnebril, heeft knopjes aan de zijkant waarmee we kunnen bepalen hoe vaak de bril dichtgaat, en hoe ver. (…) Dat doen we op basis van hun niveau; elke speler wordt op zijn eigen niveau geprikkeld. Wordt de situatie comfortabel, dan schroeven we de moeilijkheidsgraad weer iets op om grenzen te verleggen.” Door het zicht te beperken, worden spelers gedwongen om hun omgeving te checken.

Fase 2: Ruimtelijke oriëntatie

Al die topvoetballers zijn niet voor niets zo bezig met kijkgedrag. Uit onderzoek van Geir Jordet, Jonathan Bloomfield en Johan Heijmerikx blijkt dat veel kijken ervoor zorgt dat spelers vaker en zuiverder vooruit passen. Door het observeren van de omgeving weet je immers waar je medespelers zich bevinden, waar  tegenstanders opdoemen en waar de ruimtes liggen. De kans dat je een betere optie kiest, wordt daardoor groter. Onnodige passes achteruit kunnen worden voorkomen, want een speler heeft al gezien dat er niemand in zijn rug zit en dat er ruimte is die hij kan benutten.

Daarmee zijn we aangekomen bij de tweede fase, die we ruimtelijke oriëntatie noemen. Ruimtelijke oriëntatie kunnen we beschouwen als direct resultaat van kijkgedrag. Wat doet een speler met de informatie die hij tijdens het kijken verzameld heeft? In het onderstaande filmpje met Fabrégas in de hoofdrol wordt de wisselwerking tussen kijkgedrag en ruimteijke oriëntatie goed duidelijk. Fabrégas kijkt een aantal keer om zich heen; hij weet waar zijn medespelers staan, waar zijn tegenstanders zich bevinden en of hij een pass vooruit kan geven. Dat is wat we bedoelen met ruimtelijke oriëntatie.

Maar niet alleen met betrekking tot de bal kunnen acties worden verbeterd. Bij de Aspire Academy in Amsterdam legt voetbalfilosoof Marcelo Bielsa uit dat ook bij het ruimte maken voor andere spelers kijkgedrag om de hoek komt kijken. Deze goal van Ilkay Gündogan laat dat goed zien. Kelechi Iheanacho heeft gezien dat Gündogan een loopactie in de diepte maakt en maakt een diagonale loopactie. Daardoor ontstaat er ruimte voor de steekpass van Kevin de Bruyne én voor de aanstormende Gündogan.

Ruimtelijke oriëntatie houdt kortom in dat je je aanpast aan de situatie en de ruimte. Het is de laatste stap voor de beslissing, een pass of een schot bijvoorbeeld. Je beslissing wordt voor een groot deel gebaseerd op de informatie die je in deze fase verwerkt. Dit is te trainen met een simpele één-tegen-één-oefening.

schermafbeelding-2016-09-26-om-22-27-54

Illustratie van oefenvorm om ruimteoriëntatie te trainen. De doeltjes staan verspreid als je de nadruk op kapbewegingen wil leggen. Als je de nadruk meer op de frontale één-tegen-één wil leggen, dan kun je de goaltjes naast elkaar zetten.

In een klein veldje zet je drie doeltjes neer. Op de lat van ieder goaltje leg je een hesje neer, in drie verschillende kleuren. Als coach houd je ook drie hesjes in die kleuren vast. In het midden wordt één-tegen-één gespeeld. Als je een rood hesje omhoog houdt, moeten de spelers in het doeltje met het rode hesje scoren. Als je een blauw hesje omhoog houdt, moet de speler in het blauwe doeltje scoren, enzovoort. De spelers in het midden worden gedwongen van alles in de gaten te houden: de (kleur van de) doeltjes, de trainer en natuurlijk de tegenstander – dat alles in een relatief kleine ruimte. In de moeilijkheidsgraad kun je variëren: je kunt bijvoorbeeld veel wisselen van hesje als trainer en je kunt rondlopen, waardoor het in de gaten houden van de trainer lastiger wordt voor de speler.

Fase 3: Beslissing maken

Na de ruimtelijke oriëntatie breekt de laatste fase aan: het maken van een beslissing. Een beslissing is een vervolghandeling op het aannemen van de bal of juist het spelen van een kaats (als er geen tijd en ruimte is voor een aanname). Dat kan een pass zijn, maar ook een dribbel of een schot geldt als een beslissing. De beslissing wordt gebaseerd op de voorgaande fasen. Je kijkgedrag en je ruimtelijke oriëntatie bepaalt welke beslissing je neemt en wat de kwaliteit van die beslissing is.

We kunnen deze laatste fase het best verduidelijken met een concreet voorbeeld. Stel je voor dat Sergio Busquets de bal op het middenveld krijgt. Hij heeft geen spelers in zijn rug en de passlijn naar de linkerkant ligt open. Linksbuiten Neymar staat op het punt om diep te gaan. Als hij aangespeeld wordt, kan hij alleen op de keeper van Real Madrid afgaan.

Als Busquets voor en na zijn aanname gekeken heeft en die informatie verwerkt heeft, dan draait hij open en stuurt hij Neymar alleen op de keeper van Real Madrid af. Maar indien het kijkgedrag van Busquets niet in orde is en hij geen idee heeft dat Neymar diep gaat, dan zal hij die steekpass minder snel geven. Misschien draait hij niet eens open en kiest hij voor een simpele kaats terug.

We kunnen de situatie ingewikkelder maken. Op het moment dat Busquets opendraait, knijpt de centrale middenvelder van de tegenstander naar binnen, waardoor Busquets Neymar niet meer kan bereiken. Nu wordt duidelijk hoe belangrijk kijkgedrag en ruimtelijke oriëntatie voor de latere beslissing is. Busquets zal zijn beslissing namelijk weer aan moeten passen. Onderzoekster Lot Verburgh laat zien dat hier nog een belangrijke cognitieve functie om de hoek komt kijken; inhibitie, het tegenhouden van je reactie of impulsen. Verschillende onderzoeken in het Nederlandse profvoetbal hebben laten zien dat inhibitie cruciaal is. Om je beslissing toch te kunnen wijzigen moet je niet alleen je omgeving in de gaten blijven houden voor betere opties, je moet ook in staat zijn om je actie op het laatste moment nog tegen te houden – ook dat bepalen je hersenen.  

Nadat de beslissing gemaakt is, herhaalt het proces zich weer. Na het geven van een pass begint het proces van kijken meteen opnieuw; je probeert immers meteen in goede positie te komen om de bal weer te krijgen, of om juist ruimte te maken voor een teamgenoot.

Iniesta

Een hedendaags voorbeeld van een speler die de behandelde cognitieve vaardigheden uitstekend onder de knie heeft is Andrés Iniesta. Als je hem in de gaten houdt, zie je dat hij continu over zijn schouders kijkt. Zijn awareness is waanzinnig – het lijkt wel alsof hij ogen in zijn rug heeft.

Die kwaliteit van Iniesta is onmisbaar in het moderne voetbal. In het voetbal worden de ruimtes kleiner, terwijl het spel – door de fysieke vooruitgang van de spelers – steeds sneller verloopt. Een goede handelingssnelheid is daarom essentieel en onze theorie is dat die hoger wordt als een speler zich vooraf oriënteert op zijn omgeving. Die theorie is niet eenvoudig te bewijzen, omdat handelingssnelheid zich moeilijk laat kwantificeren. Bovendien beïnvloeden veel andere vaardigheden, zoals techniek en snelheid, de handelingssnelheid van een voetballer. Voor aspecten als techniek en snelheid is echter al meer dan genoeg aandacht – over cognitieve vaardigheden heeft bijna niemand het. Het zou goed zijn om daar de komende jaren verandering in te brengen.

Dit artikel is geschreven door Willem Weijs en Philip Schreurs. 

About Willem Weijs