Tiki-taka is het nieuwe Catenaccio

Er heerst een hardnekkig idee dat veel balbezit gelijk staat aan aanvallend voetbal. Het Spaanse nationale elftal onder leiding van Vicente Del Bosque bewijst echter regelmatig het tegendeel. Voor Spanje is tiki-taka vooral een verdedigingstactiek: “Als wij de bal hebben, kunnen hun niet scoren” is ongetwijfeld Del Bosque’s favoriete citaat van Johan Cruijff.

Het lijkt wel alsof voetballiefhebbers deze uitvoering van tiki-taka voetbal een beetje zat zijn. Het is soms zelfs niet leuk meer om naar te kijken, 90 minuten lang tik-tik tak-tak zonder dat het echt spectaculair wordt. Twee jaar geleden leek iedereen nog lyrisch over de Spaanse ploeg, maar nu zijn reacties zoals deze geen uitzondering:

 

 

Eigenlijk is het prima te verklaren dat mensen dit soort voetbal zat zijn. Onder Del Bosque is tiki-taka boven alles een verdedigingstactiek; zelf scoren staat op de tweede plaats, dat komt vanzelf een keer. Spanje domineerde elke wedstrijd met meer balbezit, meer passes, meer schoten, etc. Dat is niet alleen ter verdienste van Spanje, maar heeft ook te maken met dat hun tegenstanders zonder uitzondering inzakken tot diep op de eigen helft, bang om initiatief te nemen of druk te zetten. Het gevolg laat zich raden: slaapverwekkende kat-en-muis-spelletjes. En Xavi is daar alleen maar blij mee:

 

Hoewel de dominantie en perfectie van het Spaanse veldspel evident is (zie ook onderstaande afbeelding die de passing tegen Frankrijk laat zien) lijkt de ploeg niet altijd bij machte om haar dominante om te zetten in spektakel, in geweldige aanvallen of grote kansen. Tegen Italië schoten ze weliswaar vaker (18 tegen 11), maar qua schoten op doel was het gelijk (6). Ook tegen het zwakke Frankrijk schoot Spanje ook fors meer (12 tegen 4), maar slechts drie keer op doel.

Dat Spanje er maar moeilijk doorheen komt heeft ook te maken met de keuze voor bepaalde spelers in de basiself. Eén van de grootste verwijten die je dit Spanje kunt maken is dat hun spel te weinig breedte heeft en werkelijk alles door het midden gaat. Van alle aanvallen van Spanje gaat 35% door het midden – meer dan elke andere ploeg op EK2012.

Met Santi Cazorla, Jesus Navas en Pedro heeft Del Bosque voldoende echte buitenspelers met snelheid en diepgang in de selectie die het spel breed kunnen houden. De bondscoach kiest echter voor Iniesta en David Silva: geweldige, briljante spelers, maar je weet wel dat ze altijd naar binnen trekken. Dat zie je ook in de onderstaande afbeelding, die laat zien waar spelers op het veld het meeste invloed hebben:

Zoals je ziet houden de invallers Pedro en Jesus Navas het veld goed breed, maar concentreren Iniesta, Xavi, Silva, Fabrégas, Alonso en Busquets zich allemaal op het overvolle centrum van het veld. Daar controleert Spanje het spelletje, maar zonder breedte is het moeilijk om door een handbalverdediging te breken.

Zelfs in de spits zet Del Bosque geen echte nummer 9. In plaats van dat hij een spits opstelt die echt voorin blijft en het veld groot maakt, zoals Fernando Torres of Fernando Llorente dat perfect zouden kunnen, speelt hij regelmatig met Cesc Fabrégas. Het verschil tussen Fabrégas en Torres is duidelijk te zien in de onderstaande afbeelding. Fabrégas is op een indrukwekkende manier bij het spel betrokken. Hij verstuurt uitzonderlijk veel passes, zakt in, combineert en is nauw bij het spel betrokken, zoals je dat van een echte spits zelden ziet. Als Cesc speelt, heeft Spanje in feite zes centrale middenvelders opgesteld.

De gevolgen van de stijl van de Spanjaarden is dat ze elke wedstrijd ruimschoots meer balbezit hebben dan de tegenstander, maar is dat dan ook aanvallend? Hun speelstijl zorgde er immers ook voor dat Casillas de minste schoten te verwerken kreeg van alle keepers op EK2012: gemiddeld zeven per wedstrijd.

Of de dominantie van Spanje aanvallend genoemd kan worden hangt ook af van wat je met die dominantie doet. Tegen Frankrijk de ruimte op de rechterflank die onstond doordat Silva naar binnentrok, niet altijd even goed gebruikt. Bij Barcelona duikt Dani Alves altijd dat gat in; op papier is hij rechtsback, in de praktijk rechteraanvaller. Op die manier gaf hij Barcelona elf assists dit seizoen. Bij de Spaanse nationale ploeg moeten ze het doen met Arbeloa. Die gaf nog nog niet één succesvolle voorzet dit EK.

Een ander groot verschil is natuurlijk Lionel Messi, die zelfs in een overvol centrum van het veld de ruimtes vindt om geniale acties te maken. Fabrégas is goed, maar is geen Messi. Spanje speelt bovendien met twee verdedigende middenvelders (Alonso en Busquets), waardoor Xavi meer naar voren geschoven wordt dan bij Barcelona. Samengevat is Spanje een soort Barça zonder de Zuid-Amerikaanse impulsen van Messi, Dani Alves en in mindere mate Alexis Sanchez, en daardoor is de Spaanse ploeg een stuk minder spectaculair om naar te kijken.

Ook als Spanje op voorsprong staat, blijven ze hetzelfde spelletje spelen. Ze weten dat dat de beste manier is om de tegenstander tot wanhoop te drijven. Ze komen toch niet aan de bal! Als Spanje een voorsprong heeft zullen ze dus nooit consolideren door in te zakken of een extra verdediger in te brengen, maar blijven ze gewoon rondtikken.

Een onderbelicht aspect van de Spaanse tactiek zijn de moment waarop de tegenstander de bal krijgt. Dan zetten vrijwel alle spelers onmiddellijk druk. De spelers van de tegenpartij krijgen geen moment de kans om rustig een aanval op te zetten. Alles aan het Spaanse spel is erop gericht het balbezit van de tegenstander te minimaliseren en als Spanje de bal niet heeft, moet de tegenstander dus zodanig onder druk worden gezet dat hij fouten maakt en de bal weer inlevert bij een Spanjaard. Denk dus vooral niet dat de Spanjaarden zich te goed voelen voor het vuile werk. Met Xabi Alonso, Arbeloa en Sergio Ramos heeft de ploeg notoire schoppers in huis. Er waren maar vier ploegen dit EK die vaker tackelden dan de Spanjaarden. Gemiddeld grepen ze iets minder dan twintig keer per wedstrijd in met een tackle – bijna twee keer zo vaak als Nederland.

In de onderstaande afbeelding is goed te zien hoe vroeg Spanje Italië aanpakte in de eerste wedstrijd. Verreweg het grootste deel van de overtredingen was op de helft van de tegenstander, in tegenstelling tot de Italianen. Als Spanje een overtreding maakt, doen ze dat dus niet in een gevaarlijke situatie, maar juist om gevaarlijke situaties te vermijden. Maak je diep op de helft van de tegenstander een overtreding dan heb je uiteraard de tijd om de organisatie weer op orde te brengen.

Ook Barcelona dankt haar succes aan de defensieve degelijkheid van Tiki-Taka, hoe gek het ook klinkt, maar dat is waar ze het kampioenschap van 2010-2011 op wonnen. Real Madrid scoorde toen al vaker dan Barça, maar Barcelona werd kampioen omdat ze maar 22 doelpunten tegen kregen (tegen 33 van Madrid). En ook dit seizoen kreeg geen club in de vijf grote Europese competities zo weinig schoten te verwerken als Barcelona (gemiddeld 7,3 per wedstrijd). Uiteraard zijn die paar kansen die Barça tegenkrijgt soms levensgroot, omdat de verdediging van Barça niet in grootste vorm stak en ze veel ruimte weggaven. En toch wisten ze het voor elkaar te krijgen om minder tegendoelpunten te incasseren dan iedere andere ploeg in La Liga. Het balbezit verbloemde de relatieve zwakte van de verdedigingslinie. En dat is precies wat Spanje ook doet. Tiki-taka is het nieuwe Catenaccio.

Dit artikel is geschreven samen met Nikos Overheul.

Data-afbeeldingen zijn afkomstig van de Stats Zone App van FourFourTwo.

*De vijf grote competities zijn La Liga (SPA), Premier League (ENG), Serie A (ITA), Bundesliga (DUI) en Ligue 1 (FRA).

Het "tiki taka"-voetbal van Spanje is...

View Results

Laden ... Laden ...

About Thomas Boeschoten

Thomas is uitgever van Catenaccio. Volg Thomas op Twitter | Meer artikelen van Thomas