Techniektraining 2.0: zo worden spelers beter zonder dat ze het doorhebben

Afgelopen seizoen liet Thomas Tuchel, trainer van Borussia Dortmund, zijn spelers met tennisballen in hun handen trainen. Zo konden ze niet aan het shirtje trekken of met hun handen duwen, waardoor ze gedwongen werden om vooral met hun voeten te verdedigen. Tuchel deed dat omdat hij zich stoorde aan onnodige overtredingen in wedstrijden. Hij had dat expliciet tegen zijn spelers kunnen zeggen (“let er op, niet te veel shirtje trekken”), maar hij koos voor een vorm van impliciet leren. Hij schiep een situatie waarin spelers als vanzelf zouden leren om minder van zulke overtredingen te maken.

Dit artikel gaat over dat soort methoden, methoden voor impliciet leren. Het zijn trucjes die trainers toepassen om spelers iets te laten leren zonder dat ze het zelf doorhebben. Het idee erachter is dat wanneer het leerproces onbewust verloopt, automatisch eigenlijk, spelers beter leren dan wanneer zij expliciet bezig zijn om iets te leren. Een speler die een handeling impliciet aangeleerd heeft kan zelf vaak niet uitleggen hoe hij de actie precies tot uitvoering brengt. Pas als hij er naar gevraagd wordt, gaat hij er over nadenken (en dan gaat het vaak mis). Zo kun je iemand die een oefening impliciet aangeleerd heeft dus uit zijn concentratie halen: vraag iemand die automatisch goed tennist hoe hij dat wegslaan van een bal precies doet en het lukt hem vaak minder goed. Impliciet leren vraagt om een externe focus, wat betekent dat de aandacht gericht moet zijn op het effect (resultaat) van de beweging. Door spelers tennisballen in hun handen te stoppen kunnen ze geen shirtje meer trekken, waardoor ze – zonder dat ze het direct doorhebben – leren hun voeten en lichaam te gebruiken bij het verdedigen van een opponent.

Tegenover de impliciete leermethode staat de expliciete leermethode. Een voetballer is dan bewust bezig met het vertalen van kennis over de handeling naar het uitvoeren van de handeling. Momenteel komt het expliciet aanleren van technische vaardigheden nog veel voor in de jeugdopleidingen. Trainers storten veel informatie uit over een speler. Ze leggen bij het trappen van een bal nadrukkelijk uit waar de voet heen moet wijzen, hoe het standbeen moet staan en hoe ver het been door dient te zwaaien. Sommige spelers laten zich graag vertellen wat ze precies moeten doen, en voor bepaalde vaardigheden is expliciet leren noodzakelijk. Wij denken echter dat er een aantal voordelen zijn van impliciet leren ten opzichte van expliciet leren:

  1. Wetenschappelijk onderzoek (Poolton et al., 2007; Masters et al., 2008) wijst uit dat impliciet aangeleerde handelingen minder belastend zijn voor de spieren dan expliciet aangeleerde handelingen. Een speler kan dus langer en intensiever spelen als hij de acties die hij verricht onbewust aangeleerd heeft;
  2. Bij een impliciet aangeleerde handeling komt falen onder stress minder vaak voor dan bij een expliciet aangeleerde handeling, volgens een onderzoek van bewegingswetenschapper Peter Beek;
  3. Impliciet leren bevordert in onze optiek de autonomie bij spelers. Doordat ze zelf initiatief moeten nemen en ze de beweging (deels) op eigen houtje ontdekken, ontstaat er meer zelfstandigheid bij de voetballers;
  4. Op dit moment wordt er onderzocht of impliciet aangeleerde handelingen minder werkgeheugen in beslag nemen in de hersenen. Die theorieën bestaan, maar ze zijn nog niet overtuigend bewezen. Mocht dit overtuigend bewezen worden, dan is dat nog een interessante reden om met impliciet leren aan de slag te gaan.

De impliciete leermethode lijkt in contrast te staan met het traditionele, expliciete model van leren. Het traditionele model veronderstelt dat een speler eerst bewust onbekwaam moet zijn – bewust dat hij een handeling niet kan uitvoeren – om vervolgens middels oefeningen langzaamaan bewust bekwaam te worden.  In de theorie van impliciet leren die wij in dit stuk uiteenzetten worden de bewuste fases overgeslagen, juist omdat we ervan overtuigd zijn dat het bewust bezig zijn met een oefening in het algemeen minder goed werkt dan impliciet leren. 

 

 

Voor het impliciet leren van vaardigheden heeft Frans Bosch een fasemodel ontwikkeld. De eerste fase noemt hij de bewegingstaak, en daarin staat de vraag centraal wat er bewegend moet lukken. De tweede fase heet de bewegingsvorm, en richt zich op het vraagstuk hoe de beweging beter kan lukken. De laatste en de derde fase is de bewegingsuitdaging en draait om het blijven lukken en verder perfectioneren van de handeling. In dit stuk is een beweging een motorische voetbalhandeling – dat kan een schot, een pass, een dribbel, een voorzet, een aanname zijn.

Fase 1: de bewegingstaak

In de eerste fase wordt het leren van een nieuwe handeling behandeld. Een trainer kan er op verschillende wijzen voor zorgen dat een speler een handeling onder de knie krijgt. Sommige spelers geven de voorkeur aan het voordoen van een oefening door een ander, andere voetballers vinden het fijner als de omgeving hen dwingt een bepaalde handeling uit te voeren. In dit deel behandelen we de meest gebruikelijke methoden.

1) Observatie

Bij leren door observatie doet een speler of een trainer een handeling voor, en proberen de toekijkende (andere) spelers door te observeren te achterhalen hoe de actie in elkaar steekt. Daarna voeren ze de actie zelf uit. Als trainer is het zaak hier relatief terughoudend te zijn wat betreft aanwijzingen: in principe voldoet de instructie kijken, nadoen aan de spelers.

Toch zijn er enkele zaken die je in acht moet nemen bij het hanteren van de observatiemethode. Zo is het in principe beter dat een leeftijdsgenoot de oefening voordoet dan een trainer. Het is voor een kind namelijk moeilijk om zich te verplaatsen in een groter lichaam. Daarnaast is het belangrijk om de oefening voor te doen met je rug naar de spelers toe. Dat maakt het observeren makkelijker, want ze zien meteen goed met welk been ze wat moeten doen – een oefening in spiegelbeeld kan met het verwerken van de observatie nog weleens problemen opleveren.

2) Analogie

De tweede benadering is de analogiemethode. In deze methode maakt een trainer een vergelijking tussen twee zaken, die hij gebruikt om een speler iets aan te leren. Het beeld dat wordt gebruikt in de vergelijking moet sprekend zijn voor de kinderen. Het helpt ze om het afgebeelde, meestal een technische voetbalhandeling, goed te beheersen.

Een analogie kan iedere trainer wel bedenken. Een bekend voorbeeld is bijvoorbeeld het vergelijken van het geven van een boogbal met het scheppen van ijs. Een gedetailleerde, technische uitleg van een boogbal zullen veel kinderen niet begrijpen en daarnaast leidt een dergelijke uitleg tot expliciet leren. Bijna ieder kind weet echter meteen wat je bedoelt als je het over het scheppen van ijs hebt. De analogie geeft hen een heel duidelijk beeld van hoe ze de boogbal het best kunnen trappen. Ze worden daarmee op het juiste spoor gezet, waarna ze zelf de ideale traptechniek uitvinden.

Een andere vergelijking die een trainer kan maken is het tennisracket. Veel spelers hebben bij het passen met de binnenkant voet de neiging om dat te veel met het voorste deel van hun voet te doen. Daardoor raken ze de bal niet optimaal en slagen ze er niet in om een strakke pass af te leveren. Door ze voor te leggen waar een tennisser de bal raakt, leert een speler dat hij de bal beter midden op de binnenkant van de voet kan raken.

3) Externe focus

Bij de methode van externe focus zorg je ervoor dat de focus van een speler niet op de werking van de handeling (interne focus), maar op het effect van de handeling  gericht is (externe focus). Een speler concentreert zich dus niet op de stand van zijn lichaam of het doorzwaaien van zijn been, maar op het gevolg van die handeling, dus het (denkbeeldig) vliegen van de bal in de kruising. Bij deze methode neemt de autonomie van de speler een voorname rol in. Hij weet wat het beoogde resultaat is, maar hij dient zelf te ontdekken hoe hij dat doel kan bereiken.

Er zijn diverse oefeningen te bedenken om de focus te verleggen bij spelers. Zo zou een trainer een touw door het midden van het doel kunnen spannen met de opdracht om boven het touw te scoren. De schutter vindt vervolgens zelf uit hoe hij de bal daar moet krijgen. Hij probeert meer onder de bal te komen met zijn wreef, hij gaat wat naar achter hangen, hij zet meer kracht. Slimme spelers zullen bij succesvolle teamgenoten kijken hoe ze het gestelde doel halen.

4) Sturend leren/dwangstelling

De naam zegt het al: in deze methode dwingt de omgeving de spelers om een bepaalde handeling uit te voeren. Een goed voorbeeld is een gatennet dat je voor een doel kunt spannen. Een speler kan slechts scoren door de bal door een gat te schieten. Onbewust leert hij zijn schoten in de hoek te plaatsen. Een ander voorbeeld is een zogenaamde dribbelbril. Deze zorgt ervoor dat een voetballer tijdens het dribbelen niet naar beneden, naar de bal, kan kijken, waardoor hij wordt gedwongen om de omgeving in de gaten te houden. Ook het voorbeeld van Tuchel op het trainingsveld van Borussia is een voorbeeld van dwangstelling.

Fase 2: de bewegingsvorm

De volgende fase breekt aan als de speler de handeling redelijk goed beheerst. In deze fase gaat het om het verbeteren van de activiteit. In onze optiek kan dat vooral bereikt worden door enorm veel variatie aan te brengen in de handeling – een andere aanloop, een andere bal, een ander veld. Het aanbrengen van variatie in de oefening wordt differentieel leren genoemd. Differentieel leren komt de kwaliteit van de handeling uiteindelijk ten goede, omdat het de hersenen talrijke opties geeft. Het brein leert op den duur de optimale oefening te selecteren. Een bijkomend voordeel van differentieel leren is dat de hersenen uitgedaagd blijven en zo in een ‘leerstand’ komen. Simpel gezegd: het brein wordt niet lui.  

Differenzielles lernen is een idee van sportwetenschapper Wolfgang Schöllhorn. Hij stelt dat het voorschrijven van regels aan een sporter geen zin heeft. Het is veel te lastig ‘de ideale worp’ of ‘de perfecte trap’ – als ze al bestaan – over te brengen aan sporters, want ze moeten de beweging voelen. Door extreem veel te variëren vindt het lichaam de juiste oefening vanzelf. Wat de juiste oefening is verschilt per situatie. In veel spelsporten, waaronder voetbal, bepalen de omstandigheden welke aanloop het beste is, hoe de bal geraakt moet worden, en ga zo maar door.

Dat differentieel leren een enorm positief effect kan hebben, liet de Duitse kogelstoter Peter Valentiner wel zien. In 2007 besloot hij differentieel te trainen. Op talloze manieren stootte hij een kogel weg. De ene keer maakte hij eerst een raar hupje, dan koos hij voor het stoten voor een pirouette en hij sprong zelfs een keer van een verhoging voor het wegstoten. In een aantal weken boekte hij enorme progressie, en hij won zelfs een zilveren medaille op het Duitse kampioenschap.

 

Natuurlijk is kogelstoten een fundamenteel andere sport dan voetbal, dus kunnen zijn lessen niet één op één worden gekopieerd. Toch is differentieel leren – wellicht in minder extreme mate – in het voetbal toepasbaar (dat blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek aan de universiteit van Mainz). In de jeugdopleidingen van diverse Nederlandse clubs (zoals AZ) wordt er tegenwoordig op straat gevoetbald en ook zaalvoetbal is bij diverse clubs onderdeel van de opleiding. Ajax liep vorig jaar zelfs rond met plannen om een slecht veld, die de knollentuin genoemd werd, aan te leggen, zodat spelers ook onder die omstandigheden leerden voetballen. Verder dribbelen Ajax-jeugdspelers vanaf de kleedkamer naar het trainingsveld met een bal ter grootte van een handbal. Door dit soort methoden worden ze continu onbewust beter.

Niet alleen de ondergrond kan veranderd worden. Ook kan er geëxperimenteerd worden met verschillende ballen. Zo lieten Mainz-trainers Thomas Tuchel en Martin Schmidt hun teams met een kleine bal een positiespel spelen. Daar kun je als trainer ook weer in variëren. Als er bij het positiespel een bal uitgaat, speel je een nieuwe, andere bal het veld in. Een rugbybal, een volleybal, een kleine bal, een grote bal; het oogt misschien wat gek, maar het positieve effect van differentieel leren is uitgebreid in kaart gebracht.  

Ook bij De Graafschap passen ze differentieel leren toe in de jeugdopleiding. Er wordt regelmatig met verschillende typen ballen getraind: een formaat kleiner dan een normale voetbal, maar ook tennisballen worden gebruikt. Daarnaast is zaalvoetbal onderdeel van de opleiding en wordt er gevarieerd in de omstandigheden bij het trainen van de traptechniek. Ten slotte liggen er nog mogelijkheden bij het veranderen van de techniek. Zo kan de bal hoog op een pion gelegd worden of juist halfhoog, op een lagere pion. Spelers kunnen een rondje draaien voor ze schieten, een coach kan een bal op talloze verschillende manieren aanspelen – variëren is eigenlijk eindeloos mogelijk.

Fase 3: de bewegingsuitdaging

Het onderscheid tussen de tweede en de derde fase is niet altijd even duidelijk. Wanneer heeft een speler een vaardigheid nu echt goed onder de knie? De derde fase is tevens de minst omvangrijke fase. De speler beheerst de oefening uitstekend. Het gaat hier vooral om het blijven lukken van de handeling. Verveling door herhaling is hier wel een valkuil, dus de trainer moet het blijven lukken bevorderen door de speler te prikkelen. Nieuwe vormen, moeilijkere vormen – variatie is hierin heel belangrijk.

Een belangrijke rol in de derde fase speelt het willekeurig aanbieden van vormen. Een speler moet een bepaalde handeling in principe op elk moment uit kunnen voeren. De omstandigheden moeten eigenlijk niet meer uitmaken en het is de bedoeling dat hij er niet steeds meer over na hoeft te denken. Je laat een speler dus niet zozeer eerst vijf keer van de grond schieten en dan vijf keer uit een volley, maar je biedt de vormen door elkaar aan. En het liefst niet twee vormen, maar vier of vijf. Natuurlijk maak je ook nog gebruik van de theorie van het differentieel leren, door bijvoorbeeld verschillende ballen aan te spelen.

In de derde fase zit ook nog een verbeteringsonderdeel. Door specifiek in te zoomen op de details kan een speler nog een paar procent beter worden. Uiteindelijk kan een speler een oefening natuurlijk nooit perfect beheersen. In de derde fase probeert een speler de perfectie wel te bereiken. De echte verbeteringsslag is in de tweede fase al gemaakt, maar in de derde fase is er nog ruimte voor marginale uitbreiding.

Al met al zou het goed zijn als meer trainers gebruik maken van impliciete leermethoden. Het gebruik van impliciet leren resulteert waarschijnlijk in zelfstandige, initiatiefrijke spelers en het plezier zal door de talrijke oefenvormen niet minder worden. Mocht je de komende maanden bij jouw amateurclub een voetballertje met een tennisbal in de weer zien: hij is dan bezig een betere voetballer te worden – waarschijnlijk zonder dat hij het zelf door heeft.

Dit artikel is geschreven door Bas van Baar, Willem Weijs en Philip Schreurs. Voor de jeugdtrainers: op de Twitter-pagina’s van Bas (@BaarvB) en Willem (@willemweijs) zijn de komende dagen trainingsvormen bij dit onderwerp te vinden.

About Bas van Baar & Willem Weijs