Spaanse televisierechten zorgen voor wrijving

Eerlijkheid in het voetbal is een argument dat nooit zal verdwijnen. Dit argument komt altijd om de hoek kijken, als er een grote club bevoordeeld wordt over mindere oppositie. Dat kan zijn door een manager die wegkomt met een handeling waar een ander voor gestraft is, maar ook wanneer kleinere clubs financieel worden uitgebuit. Een grote club heeft vaak de macht als het gaat om transfers, alsmede de verdeling van de televisierechten. Dat is ook wat er momenteel gaande is in de Spaanse competitie, en dat moet veranderen, zo vindt die oppositie.
despacho7

Het Spaanse voetbal heeft onlangs ongekende successen gehad. Barcelona domineerde de competitie en Europa, terwijl Atletico Madrid de Europa League won, en het nationale team na Europees kampioen ook wereldkampioen werd in Zuid-Afrika. Deze wittebroodsweken lijken echter voorbij te zijn. De discussie rondom de verdeling van tv-gelden is in volle gang.

Krachtpatsers Real Madrid en Barcelona verdienen 34 procent van het televisiegeld, terwijl Europese medespelers Atletico Madrid en Valencia elf procent te verdelen krijgen. De resterende 55 procent wordt verdeeld over de overige clubs in de twee Spaanse profliga’s. Zij zijn daar logischerwijs niet blij mee.

Villarreal, Espanyol, Sevilla en Athletic Bilbao zijn daarom de leiders van een opstand tegen de gevestigde orde. Deze opstand is een tegenstander van de huidige verdeling van de tv-gelden, die de grote twee meer dan één derde van het geld op ziet strijken. In getallen ziet dat er nog indrukwekkender uit.

Van de 800 miljoen euro die zou worden verdiend aan de tv-uitzendingen, zouden Real Madrid en Barcelona ieder 130 miljoen incasseren, terwijl Valencia en Atletico Madrid het met 45 miljoen euro moeten doen. Een extra negen procent van het totale bedrag is gereserveerd voor de ploegen uit de Segunda Division (Liga Adelante), terwijl de resterende één procent een bijdrage is voor de degradanten uit de hoogste divisie.

De meerderheid van de voetbalclubs in Spanje is inmiddels akkoord gegaan met de verdeling van de televisie-inkomsten, maar het recalcitrante kwartet van clubs dat hierboven genoemd is, Villarreal, Espanyol, Sevilla en Athletic Bilbao, zijn van mening dat er een derde niveau moet komen in de verdeling. Zo kunnen zij beter concurreren met de grotere clubs en wordt de rijkdom in het Spaanse voetbal gelijkmatiger verdeeld.

Barça en Real, in het dagelijks leven bittere rivalen, zijn in deze controversiële situatie elkaars enige bondgenoten. Hun argument is duidelijk: ze verdienen het. Zij zijn de reden dat de mensen La Liga willen kijken, en in praktijk hebben zij gelijk. Van de 23 spelers die genomineerd zijn voor de Gouden Bal voor beste voetballer ter wereld, komen er twaalf uit de Spaanse competitie, en elf daarvan spelen bij één van deze twee teams. Beide clubs zullen vertellen dat zij meer geld verdienen vanwege hun consistente Champions League-uitstapjes, hun merchandisingverkopen en door de bezoekersaantallen die zij week in week uit trekken. Fundamenteler dan dat alles is hun wurggreep op de uitzendrechten, die hun financiën verbetert en ondersteunt, terwijl het tegelijkertijd andere clubs op afstand houdt.

Deze fout in de distributie van het tv-geld heeft geleid tot de overheersing van de twee grootmachten. Om de concurrentie eerlijker te maken, wordt een verdeling volgens Engels model voorgesteld. Daarbij krijgen de kleinere teams een groter stuk van de spreekwoordelijke taart. Dat voorstel is een duidelijke verbetering ten opzichte van het huidige systeem, omdat op die manier alles vanuit een centrale overeenkomst geregeld wordt. Nu onderhandelen clubs op eigen houtje met tv-aanbieders, waardoor er zulke scheve bedragen ontstaan. Een soortgelijke situatie is er in Schotland, waar de overheersing van Celtic en Glasgow Rangers gevoed wordt door deze individuele tv-overeenkomsten.

Zolang er niks verandert aan het Spaanse systeem, zal er net als in Schotland altijd de dreiging bestaan van een afscheidingsbeweging, die een eigen profcompetitie opzet. Sevilla-voorzitter José Maria del Nido liet al weten dat Real en Barcelona desnoods maar in Frankrijk moesten gaan spelen. Zover zal het echter nooit komen, aangezien ook de mindere clubs uithangborden zoals Real en Barcelona nodig hebben.

Maar ook de twee grootmachten mogen in deze financieel moeilijke tijden best wat concessies doen. De Spaanse competitie zal er nog meer op vooruit gaan.

About Gino van Montfort

Gino is hoofdredacteur en mede-oprichter van Catenaccio. Hij is al van kinds af aan voor Feyenoord, maar laat in zijn artikelen vooral een merkwaardige interesse zien in clubs, spelers en verhalen uit Zuid-Amerika. Oh, en nu Feyenoord het wat minder doet, hoor je hem vooral over zijn andere grote liefde: Real Madrid. Volg Gino op Twitter | Meer artikelen van Gino