Nederlandse jeugdopleiding moet klein denken

De Nederlandse jeugdopleiding gold jarenlang als toonaangevend in de wereld. In het buitenland werd de vraag gesteld hoe het mogelijk was dat zo’n klein land zoveel topspelers kon afleveren. Tegenwoordig, na de dramatische prestaties van de clubteams in Europa en de uitschakeling van Oranje voor het EK, staat de Nederlandse opleiding echter ter discussie. Is onze manier van opleiden nog van internationaal niveau, of zijn we achterop geraakt? In Duitsland en België is rond de eeuwwisseling dezelfde vraag gesteld en de jeugdopleidingen zijn daar ingrijpend veranderd. Ook bij de KNVB lijken veranderingen noodzakelijk, maar in Zeist wordt weinig haast gemaakt. Catenaccio staat stil bij de staat en de toekomst van jeugdontwikkeling in Nederland.

B8OJyYzIUAEEtCT.jpg-large

‘The bitter first-round defeat at Euro 2000 was the key moment: at the turn of the millennium German football stared disaster in the face, it completely lacked a professional foundation. What followed was a revolution in youth development.’

– Das Reboot, Raphael Honigstein (2015)

De deugden van een crisis

Op 2 juli 2000 schiet David Trezeguet de Fransen in de verlenging naar de EK-titel. De internationals van België en Duitsland zitten dan al lang en breed thuis. Duitsland eindigt met een schamel puntje laatste in groep A en de Belgen kunnen slechts van Zweden winnen en worden ook roemloos uitgeschakeld. Na dit desastreuze eindtoernooi beseffen de voetbalbonden in beide landen dat het zo niet langer kan en dat hun voetbalfilosofie compleet moet veranderen. Dat begint met de manier van opleiden kritisch tegen het licht houden door bestaande dogma’s kritisch te evalueren aan de hand van in het buitenland opgedane kennis. Belgische en Duitse trainers brengen bezoeken aan de Nederlandse en Franse voetbalopleidingen die op dat moment tot de wereldtop behoren. De beste concepten worden vervolgens geïntegreerd in de eigen filosofie. Vijftien jaar later zijn de rollen met Nederland omgedraaid: onze buurlanden staan aan de top van de FIFA ranking (ook bij alternatieven als de ELO-rating en de SPI-rating staan zij hoger dan Nederland) en kunnen beschikken over spelers die vrijwel allemaal bij Europese topclubs onder contract staan.

Illustratie van de Belgische opmars: van plek 65 in 2009 naar nummer 1 nu

De drijvende kracht achter de veranderingen is zowel in België als Duitsland de nationale voetbalbond, die een voortrekkersrol speelt in de ontwikkeling van het voetbal. In België worden Michel Sablon en zijn opvolger Bob Browaeys gezien als initiators van de cultuuromslag. Ze begonnen op het absolute nulpunt en spendeerden de eerste twee jaar met het bezoeken van wedstrijden en informatie inwinnen in Nederland en Frankrijk. Daarnaast lieten zij wetenschappers van de KU Leuven 1600 uur aan beelden analyseren van jeugdspelers die 11-tegen-11 speelden op verschillende velden. In 2004 schreven zij hun masterplan met aanbevelingen voor het Belgische voetbal (zie afbeelding).

Schermafbeelding 2015-11-18 om 22.58.00

De spelvormen in de onderbouw werden aangepast en techniek en plezier werden sleutelwoorden. De nieuwe Belgische voetbalidentiteit moest gekenmerkt worden door het streven naar dominantie in balbezit met aanvallend voetbal en agressieve hoge pressie. Arno van den Abbeel is als technisch coördinator bij het Vlaamse onderdeel van de KBVB nauw betrokken bij de vernieuwde Belgische voetbalfilosofie: ‘Wij implementeren voortdurend onze visie in de trainersopleidingen, topsportscholen en nationale jeugdploegen. Daarnaast ondersteunen wij jeugdtrainers bij de uitwerking van hun jeugdbeleid. Mede dankzij steun van de Vlaamse overheid is het aantal gediplomeerde trainers bij de clubs gestegen en zijn de jeugdopleidingen meer gestructureerd.’ Over de verschillen met Nederland zegt Van den Abbeel: ‘De Nederlandse visie uit Zeist heeft ons in het verleden geïnspireerd, maar de afgelopen vijftien jaar heeft België hard gewerkt aan een eigen voetbalidentiteit. Op heel veel niveaus wordt de jeugdopleiding in beide landen op dezelfde manier bekeken, maar er zijn zeker enige nuances en verschillen. Ik denk dat het vooral noodzakelijk is om een visie ook steeds te evalueren of bij te sturen waar en wanneer noodzakelijk.’

Net als de Belgen hebben de Duitsers het echec van het EK 2000 aangegrepen om veranderingen door te voeren bij de ontwikkeling van het voetbal. In het boek Das Reboot zet de Duitse journalist Raphael Honigstein uiteen hoe het Duitse voetbal van ouderwets en onaantrekkelijk spel evolueerde naar het sprankelende en aanvallende voetbal dat afgelopen zomer tot de wereldtitel leidde. Zo dwong de Duitse voetbalbond (DFB) de teams in de hoogste twee divisies om vanaf 2001/2002 een volwaardige jeugdopleiding te hebben, verhoogde de bond het eigen jaarbudget voor jeugdontwikkeling naar veertien miljoen euro, verbeterde het de eigen infrastructuur en herstructureerde het de nationale jeugdcompetities om de beste talenten (vaker) tegen elkaar te laten spelen.

Small sided games in de onderbouw

B8NisCZIgAAO7M6.jpg-large

Een bond die initiatief neemt, is op zichzelf niet voldoende voor een omwenteling. Het gaat immers niet alleen om de ambitie en faciliteiten bij het ontwikkelen van jeugd. Het is ook van groot belang om te weten hoe je dat doet. In België, Frankrijk en Duitsland stellen de spel- en wedstrijdvormen jonge spelers in staat op een natuurlijke wijze laten leren. Met andere woorden, ze proberen oefeningen te bedenken waarin spelertjes vaak dingen doen waar ze het juiste van leren. Hoe dit in België vormkrijgt, wordt geïllustreerd door een voorbeeld waarin de E1 van een Belgische profclub moest aantreden tegen PSV-talenten, een paar jaar geleden. Elke keer als de bal werd teruggespeeld, was de verbazing onder de Belgische spelertjes groot. De jonge PSV-keeper pakte namelijk alle terugspeelballen in zijn handen pakte en ramde de bal vervolgens de lucht in. De Belgische spelertjes wisten niet beter dan dat ze de bal altijd op de grond moesten leggen, om vervolgens een voetballende oplossing te zoeken. Op die manier oefenden ze het voetenwerk, hun opbouwende kwaliteiten en het vrijlopen en aanbieden.

In de onderbouw uit dit zich door op kleinere veldjes met minder spelers per team tegen elkaar voetballen (small sided games). Van den Abbeel legt uit waarom de KBVB hier waarde aan hecht: ‘Na het EK 2000 is besloten de Belgische jeugdopleidingen te hervormen. Hierbij zijn met behulp van KU Leuven nieuwe spelvormen ontwikkeld. De kleinere speelruimtes zijn voor de ontwikkeling van het Belgische jeugdvoetbal een belangrijke aanpassing geweest. Deze sluiten nauwer aan bij de leeromgeving waar de spelers ‘klaar’ voor zijn en zorgt voor meer balcontacten en ‘decision making’. Pas later besteden we steeds meer aandacht aan de ontwikkeling van de basisvaardigheden van spelers (basics) en teamtactische vaardigheden (teamtactics) tot de eindfase van het leerplan in de Onder-17.”

Ook in Duitsland werd de hulp in van de wetenschap ingeroepen. Al in 1996 concludeerden onderzoekers van de Universiteit van Keulen in opdracht van de DFB dat de 11-tegen-11 vorm in de onderbouw veel te complex was voor de meeste leeftijdsgroepen en dat in de 7-tegen-7 het spel chaotisch verliep. Het veld was te groot, de meeste goals vielen via lange, ongecontroleerde passes en van technisch of creatief spel was weinig sprake. Een belangrijke aanbeveling luidde dan ook dat spelers in de onderbouw in kleinere ruimtes moeten voetballen, zodat alle cruciale spelelementen het beste aanbod komen: dribbelen, passen, balcontroles, schieten en één tegen één duels. De Franse voetbalbond onderschrijft deze visie. Op het nationale trainingsinstituut Clairefontaine starten spelers daarom pas op hun vijftiende met het spelen van 11-tegen-11 op een groot veld. Onder anderen Thierry Henry, Nicolas Anelka en hedendaagse sterren als Blaise Matuidi (PSG) en Yacin Brahimi (FC Porto) hebben deze prestigieuze voetbalschool doorlopen. De jeugdopleidingen van Europese (top)clubs geloven eveneens in small sided games: in dit rapport van de ECA uit 2002 blijkt dat liefst 85 procent van de clubs de spelers tot en met de onder-9 in spelvormen van 4-tegen-4 of 5-tegen-5 laat spelen.

Deze spelvormen worden ook ondersteund door de academische wereld, zo liet een studie bij Manchester United zien dat het aantal passes, doelpogingen, doelpunten, 1v1 duels en dribbels significant stegen en dat spelers veel vaker werden geprikkeld om actief aan het spel deel te nemen. Een fysiologische studie, uitgevoerd door de FIFA, concludeerde dat de 4-tegen-4 een ideale vorm is voor het nabootsen van een wedstrijd waarbij 11-tegen-11 wordt gespeeld en voor het trainen van technische en tactische onderdelen van het spel. Tenslotte concludeert dit onderzoek van de Universiteit van Dundee, waarin jonge Schotse voetballers werden onderzocht, dat de 11-tegen-11 spelvorm is ontwikkeld voor volwassenen en zou moeten worden gezien als de laatste stap in het leerproces.

Ontwikkelingen in Nederland

De manier waarop de KNVB spelers in de onderbouw laat voetballen, is echter al decennia hetzelfde: de F-jes en E-tjes spelen 7-tegen-7 of 8-tegen-8 op een half veld en al in de D-tjes moeten ze naar een groot veld met 11-tegen-11. De achterliggende gedachte van de bond is dat de spelers in grote ruimtes moeten leren spelen en de 11-tegen-11 vroeg moeten leren beheersen. Gezien de ontwikkelingen in het buitenland is het de vraag of deze spelvormen in de onderbouw nog wel ideaal zijn.

Bij de profclubs is het belang van het spelen in kleinere ruimtes al eerder doorgedrongen – Ajax startte bijvoorbeeld een paar jaar terug met het spelen van Twin Games. Willem Weijs (trainer middenbouw bij Ajax, voorheen onderbouw) geeft toe dat het spelconcept nog in ontwikkeling is: ‘Sommige onderdelen moeten nog gefinetuned worden. Bijvoorbeeld of de keeper de bal mag oppakken bij een terugspeelbal of dat er afgetrapt moet worden na een doelpunt. Op advies van Johan (Cruijff, red.) spelen we in een 6v6 omdat dit een ideale vorm is qua veldbezetting en keuzes in het veld, maar misschien verandert dit later. Ook houden we rekening met het geboortemaand-effect en laten we soms ‘vroegrijpers’ en ‘laatrijpers’ op aparte velden spelen.’ Daarnaast geeft Weijs aan dat trainers, spelers en andere clubs razend enthousiast zijn: ‘Het enige nadeel is dat sommige clubs nog niet meewerken en onze spelers nog te vaak te weinig weerstand ondervinden.’

Schermafbeelding 2015-11-18 om 22.55.48

Gelukkig is er bij de KNVB enige beweging te zien. Sinds oktober is de bond bezig met het testen van verschillende spelvormen met variërende ruimtes voor pupillen met de jeugd van FC Utrecht. Medewerker voetbalontwikkeling Jorg van der Breggen legt uit: ‘In navolging op het voetbalcongres in december 2014 zijn er elf speerpunten in gezamenlijkheid ontstaan met de clubs die het voetbal in Nederland naar een hoger niveau moeten gaan tillen. Eén van deze speerpunten is het “verhogen van de weerstand”, die onder andere vertaald gaat worden naar wedstrijdvormen. De huidige wedstrijdvormen voor pupillen (U6 t/m U12) liggen dan ook onder de loep. Zo vinden er verschillende onderzoeken plaats: wetenschappelijk literatuuronderzoek, veldtesten, internationale benchmark (waaronder ook België) en meetings met allerlei experts uit het binnen- en buitenland (voetbalspecifiek, maar ook op ander vlakken als neuro- en ontwikkelingspsychologie).’ Gezien de slechte resultaten van Oranje en van de Nederlandse clubs in Europa zouden snelle ontwikkelingen bij de bond wenselijk zijn. Helaas heeft Van der Breggen daarover minder goed nieuws: ‘Dit seizoen zullen deze onderzoeksvormen met de uitkomsten samen komen, waarna er in het volgend seizoen op verschillende niveaus pilots zullen worden gedraaid. De implementatie in de gehele voetbalpiramide zal gaan plaatsvinden in het seizoen daarna, er vanuit gaande dat de vormen welke de pupillencategorie spelen op zaterdag er anders uit gaan zien.’

Dat de spelvormen in de onderbouw moeten veranderen lijkt evident, zoals geïllustreerd door de Europese topclubs en andere bonden. Het is positief om te zien dat de KNVB daar nu werk van lijkt te maken, maar er kunnen vraagtekens geplaatst worden bij de snelheid waarmee veranderingen doorgevoerd worden. In het beleidsplan 2014-2018 van de KNVB staat de ambitieuze doelstelling om in 2018 bij de top van de wereld te horen. Onze buurlanden hebben aangetoond dat de bond daarvoor innovatief, creatief en zelfkritisch moet zijn, om te beginnen bij de ontwikkeling van de jeugd. Hopelijk wordt in Zeist ook snel deze conclusie getrokken en wordt het mislopen van EK2016 niet terzijde geschoven als incident. Als de KNVB dat doet, dan blijft het Nederlandse voetbal namelijk achter de feiten aanlopen.

About Jesper Dekker

Jesper heeft als jeugdtrainer in Nederland en de VS een speciale interesse in jeugdontwikkeling. Daarnaast is hij liefhebber van de Premier League (Spurs!) en mini-aandeelhouder in Real Oviedo. Volg Jesper op Twitter | Meer artikelen van Jesper