In Dortmund is men lekker gewoon gebleven

Ergens in april 2005 ging ik met drie vrienden naar Dortmund. Bert van Marwijk (en de onvermijdelijke Cooky Voorn) stonden er aan het roer, en de club bevond zich zowel sportief als financieel in zwaar weer. De wedstrijd tegen Kaiserslautern was aardig. Ik weet nog dat het 4-2 voor BVB werd en dat Jan Koller er twee maakte. Tomáš Rosický was de dirigent op het middenveld en de toen nog jonge Tsjech strooide met passes op de altijd bewegende Ewerthon en Ebi Smolarek. Smolarek had in slechts enkele weken de status van publiekslieveling gekregen en had kort voor de wedstrijd, tot grote tevredenheid van de fans, een langjarig contract ondertekend. Bij de gasten mocht cultheld Carsten Jancker nog even invallen, wiens vleespet de aanwezige lentezon in de ogen van tachtigduizend mensen weerkaatste.

De supporters van Dortmund maken iedere wedstrijd

Tachtigduizend toeschouwers inderdaad, want zoveel supporters waren er in deze voor Dortmund barre tijden naar het Westfalenstadion gekomen. We keken onze ogen uit bij deze sympathieke club. Bier en worst werden verkocht door een zingende man die de tribunes afstruinde voor z’n geld. Buiten het stadion kreeg je gewoon bier uit een fles en om binnen te komen hoefde je jezelf geen twee minuten in je kruis te laten grabbelen door een brommende steward. En dan natuurlijk nog de Gelbe Wand, de staantribune aan de zuidkant van het stadion waar meer mensen op passen dan in een volle Galgenwaard.

Inmiddels is er een hoop veranderd bij de club. Na zeven magere jaren is – tussen de rokende fabriekspijpen door – de zon weer gaan schijnen in het geel-zwarte deel van het Ruhrgebied. Dortmund is ook op het veld weer een grote club geworden, ‘der BVB’ werd twee maal op rij kampioen en inmiddels worden wereldploegen als Real Madrid en Manchester City weer zonder resultaat naar huis gestuurd. In januari kreeg ik weer de kans om te gaan, en die moet je dan altijd met beide handen aangrijpen. In de sneeuw en bij een gevoelstemperatuur van twaalf graden onder nul was het Westfalenstadion gewoon weer uitverkocht. Het voetbal was weer aardig, met Jakub Blaszczykowski die met twee vroege goals de wedstrijd tegen FC Nürnberg al in het eerste halfuur in het slot gooide. Nuri Sahin werd na mislukte avonturen bij Real Madrid en Liverpool als een verloren zoon weer in de armen gesloten, maar het echte hoogtepunt kwam in de 87e minuut. Ene Robert Lewandowski besloot een volley als een granaat, zoals Evert ten Napel zou zeggen, achter de keeper te pegelen. Dat we inmiddels bevroren waren mocht de pret niet drukken. Maar wat me echt goed deed was wederom de club zelf, en de situatie rond het stadion. Dat het voetbal bij Dortmund inmiddels van best een aardig niveau is wist ik al, maar dat de successen geen enkele invloed hadden gehad op de gemoedelijkheid en het karakter van de club was bewonderenswaardig. In deze tijd waarin de nouveaux riches clubs opkopen en zonder pardon naam en clubkleuren veranderen was Dortmund gewoon zichzelf gebleven. Het bier krijg je nog steeds uit een fles, de stewards behandelen je nog altijd als gast. Betalen doe je met echt geld en niet met afzichtelijk pasje of een één of ander modern muntensysteem. Het Westfalenstadion is op enkele kleine aanpassingen na nog steeds hetzelfde. Dat het inmiddels naar de vreselijke naam ‘Signal Iduna Park’ luistert nemen we maar even voor lief. Waar andere clubs alles rigoureus om gooien en blind moderniseren met het excuus dat ze ‘mee moeten’, laat Dortmund zien dat je ook prima succes kan hebben zonder je afkomst te verloochenen en je supporters in de kou zetten. Ook bij Dortmund viert de commercialiteit hoogtij. Er worden gereedschapskisten en tostiapparaten met het clublogo erop verkocht en zelfs de sjaals met het hoofd van de materiaalman vinden gretig aftrek, maar dan wel zonder dat – zoals bij veel clubs – je het idee hebt dat je in de Efteling beland bent.

Begrijp me niet verkeerd, ik wil niemand ontmoedigen om zijn of haar club achterna te reizen, ieder z’n ding uiteraard, en met je eigen club en mensen op stap gaan is ook mooi. Maar denk voortaan heel even na voor je voor 45 euro in totaal vier uur in de trein zit om vanuit de nok en vanachter een net vandaan je club te zien spelen. Voor dat geld heb je ook een middagje Dortmund, en met twee uur goed gas geven vanaf Utrecht ben je er al, en dan ben je ongeacht de wedstrijd een onvergetelijke ervaring rijker. BVB is nog precies dezelfde club als acht jaar geleden, met een fantastisch stadion en sympathieke supporters, maar nu krijg je er met een beetje geluk nog een galavoorstelling bij ook.

About Jean-Paul Rison

Jean-Paul werd op de ochtend van Utrecht-Ajax geboren op steenworp afstand van de Galgenwaard en is sindsdien stadionautist, het type dat niet naar een stad gaat zonder het lokale stadion te bezoeken. Gaat graag naar buitenlandse voetbalwedstrijden, met merkwaardige voorliefde voor België en Frankrijk. Volg Jean-Paul op Twitter | Meer artikelen van Jean-Paul