Een pleidooi voor de techniek (en waarom straatvoetbal meer is dan voetbal op straat)

Het Nederlandse voetbal zit in een identiteitscrisis. ‘De Hollandse School’ staat onder druk. Innovatie en conservatisme strijden om ruimte en invloed, een reëel zelfbeeld met betrekking tot het (recente) verleden ontbreekt en er is twijfel over waar het heen moet met het Nederlandse voetbal. 

Wat wel voor vrijwel iedereen duidelijk is geworden, is dat we kwalitatief al jaren aan het afglijden zijn, zoals pijnlijk zichtbaar is geworden door de teleurstellende EK-kwalificatiereeks van Oranje en teleurstellende resultaten van Nederlandse clubs in Europa, waar wedstrijden tegen recente opponenten als FK Jablonec, FC Slovan Liberec, FC Augsburg en Molde FK ons hebben laten zien dat we allang niet meer zo goed zijn als we misschien nog dachten.

Toch lijken we niet in staat om de vinger op de juiste plek te leggen. Als we reflecteren op waar het misgaat, komen steeds dezelfde aandachtspunten naar voren;

  1. We hebben een fysieke achterstand op andere landen (voornamelijk op het gebied van uithoudingsvermogen en kracht)
  2. De focus ligt te veel op het aanvallende aspect, dus er moet meer aandacht komen voor het verdedigen
  3. We missen de pure winnaarsmentaliteit

Hoewel de genoemde punten zonder twijfel aandacht verdienen, is de probleemanalyse oppervlakkig en lijkt niemand te weten hoe dit kan worden opgelost. Wat is bijvoorbeeld verdedigen? Is dat zoals Red Bull Salzburg verdedigt of zoals Barcelona dat doet? En wat moet er gebeuren om spelers op te leiden die dat kunnen? Bovendien wil het feit dat genoemde onderdelen zonder enige twijfel aandacht verdienen nog niet zeggen dat we daarmee ook de kern van het probleem te pakken hebben.

In dat licht is het opvallend dat in de vele beschouwingen en analyses van de afgelopen periode (behoudens door mensen als Johan Cruijff, Wim Jonk en Ricardo Moniz) een essentieel onderdeel vrijwel compleet over het hoofd is gezien. Een van de grootste problemen van ons voetbal is namelijk dat de basistechniek van de Nederlandse voetballer niet goed genoeg is en individuele kwaliteiten te weinig ontwikkeld zijn. Deze cruciale aspecten zijn in de ons omringende landen het afgelopen decennium juist zichtbaar belangrijker gemaakt en ook significant verbeterd.

Zaalvoetbal

Hoeveel onderdelen er binnen het spel voetbal ook bestaan en hoeveel daarvan ook min of meer belangrijk zijn, techniek blijft de basis van het voetbal. Passen en aannemen, dribbelen en drijven, kappen en draaien, schieten, koppen, tackelen; de volledige beheersing van de manier waarop deze voetbalhandelingen worden uitgevoerd, kan nooit een doel op zichzelf zijn, maar is wel een absolute voorwaarde om tot goed voetbal te komen. Zoals Wiel Coerver het altijd zei: ‘Je kunt pas studeren als je hebt leren lezen en schrijven’. Ieder positiespel en ieder wedstrijdplan wordt makkelijker uit te voeren en wint aan kwaliteit naarmate de basistechniek van de spelers op een hoger niveau komt. We zien dit bijvoorbeeld bij FC Barcelona. Dat staat met name bekend om het positiespel dat in betrekkelijk kleine ruimtes en in een hoog baltempo wordt gespeeld. Echter, een belangrijke voorwaarde voor het ‘tiki-taka- voetbal’ van de Catalaanse grootmacht is de technische perfectie van de spelers, alsmede de individuele kwaliteiten die zij bezitten binnen de 1:1- situatie. Kwaliteiten die, naast een goede balaanname en een fijne traptechniek, spelers altijd een extra mogelijkheid geven om een bepaalde situatie op te lossen en die het positiespel dus onvoorspelbaarder maken.

Bij Nederlandse voetballers lijken deze vaardigheden op het allerhoogste niveau te ontbreken. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat er nog nauwelijks Nederlandse spelers bij absolute topclubs op het middenveld en in de voorhoede spelen. Als Nederlanders technisch nog tot de top zouden behoren, zou je bijvoorbeeld ook verwachten dat dit terug te zien is in de statistieken. Maar als we kijken naar technische aspecten van het spel in de twee belangrijkste Europese toernooien, de Champions League en Europa League, valt op dat Nederlanders hierop beroerd scoren.  De Nederlander die het vaakst met succes een tegenstander passeerde in de Champions League, is PSV-verdediger Joshua Brenet (1,7 keer per wedstrijd). In de lijstjes met spelers die het vaakst dribbelen in beide toernooien, komen nauwelijks Nederlanders voor en bungelen ze onderaan.

Tegelijkertijd grossieren Nederlanders in statistieken voor balverlies na een slechte controle, na van de bal gezet te zijn en onsuccesvolle dribbels. Uiteraard zijn er allerlei factoren denkbaar die het ontbreken van Nederlanders in deze toplijstjes nuanceren, maar als wij creatieve, technische spelers zouden voortbrengen, zouden dit soort lijstjes er heel anders uitzien.

Tabel2

Exemplarisch voor het probleem is Luuk de Jong,  de enige Nederlandse spits die een basisplaats had in de groepsfase van de Champions League. De Jong is met zijn kopkracht een van de beste aanvallers van Nederland, maar van zijn verfijnde techniek moet hij het niet hebben. Slechts één speler in het miljoenenbal verloor vaker dan hij de bal door een slechte controle. Je kunt je dus afvragen waar het idee dat onze spelers technisch goed onderlegd zijn op gebaseerd is. Op cruciale posities is de spoeling dun; er is geen uitstekende spits meer en de enige vleugelspelers actief in het miljoenenbal zijn  Memphis Depay, Arjen Robben, Luciano Narsingh en Jürgen Locadia. Een opvolger van Wesley Sneijder als creatieve spelmaker moet zich tevens nog aandienen.

Een ander probleem dat het gebrek aan techniek illustreert is steriel balbezit, een probleem van zowel Oranje als de Eredivisie dat recent aandacht kreeg en inhoudt dat teams wel veel balbezit hebben, maar dit hebben op ongevaarlijke plaatsen van het veld. Er is een duidelijk verband tussen technische kwaliteiten en het gedeelte van het veld waar het positiespel wordt gespeeld. Naast een goede veldbezetting, is techniek een van de belangrijkste redenen dat bij teams als FC Barcelona en Bayern Műnchen de middenvelders het vaakst de bal hebben, terwijl dit bij onder andere Ajax en Oranje meestal de (centrale) verdedigers zijn. Om de middenvelders aan de bal te krijgen moeten zij immers, onder druk van een of meerdere tegenstanders, over een perfecte balaanname beschikken. En moet de inspeelpass door de verdedigers op het juiste moment (overzicht/inzicht) precies in de juiste richting en met de juiste snelheid (techniek) worden gegeven. “Tactiek bepaalt waar de bal komt, techniek bepaalt όf ie er komt’’, zei een wijs iemand eens in dit verband.

Zelfbeeld

Als techniek zo belangrijk is, hoe komt het dan dat het zo zelden genoemd wordt als aandachtspunt?

Het lijkt erop dat  wanneer we over onszelf en onze voetbalcultuur praten, het als een soort vanzelfsprekendheid wordt gezien dat we technisch op een hoog niveau zitten. Veel gehoorde uitspraken zijn bijvoorbeeld: ‘technisch en tactisch is het altijd wel goed verzorgd bij ons’ en ‘technisch zijn we natuurlijk altijd de betere, maar we verliezen het op andere onderdelen’. Daarmee dichten we onszelf kwaliteiten toe waar we voornamelijk vanuit het verleden bekend om hebben gestaan. We lijken blind voor onze technische tekortkomingen.

Hetzelfde fenomeen doet zich voor bij de term ‘mooi voetbal’. Binnen de discussie over onze toekomst als voetbalnatie wordt steeds vaker gesteld dat we dat ‘mooie voetbal’ van ons misschien maar een keertje overboord moeten gooien en meer puur op resultaat zouden moeten spelen. De realiteit is dat deze kentering (van mooi naar ‘lelijk’ voetbal) al even geleden heeft plaatsgevonden. De laatste keren dat bijvoorbeeld Oranje, het uithangbord van onze voetbalcultuur, ‘mooi voetbal’ speelde was op het WK van ’98 in Frankrijk en op het EK van 2000 in eigen land. Natuurlijk hebben we successen gekend op het WK 2010 en het WK 2014, maar de speelstijl op die toernooien kan moeilijk worden omschreven als aanvallend en attractief voetbal.  

Het tweede fenomeen dat een niet te onderschatten rol speelt, is dat we ‘tactiek’ in de jeugdopleidingen steeds belangrijker hebben gemaakt en we in onze focus behoorlijk zijn doorgeslagen in hoe we druk zetten, hoe een “6” ruimte moet maken voor een “3” of een “4” en wat al dies meer zij. Dit heeft weer alles te maken heeft met het werken vanuit een teamparadigma in plaats van een spelerparadigma, zoals Ruben Jongkind onlangs uiteenzette.

Natuurlijk is het belangrijk om onze jeugd ook op tactisch gebied te scholen (even los van de vraag wat we dan precies verstaan onder tactiek), maar het moet binnen het geheel wel in de juiste verhouding staan en op de juiste leeftijd worden aangeboden. De praktijk is helaas jeugdspelers op veel te jonge leeftijd worden belast met allerlei opdrachten en taken. Een jeugdvoetballer met een schijnbaar talent voor metaforen liet zich pas eens ontvallen: ‘Je wordt hier potverdorie met een usb-stick in je reet een wedstrijd ingestuurd…’.

‘’Techniek verdwijnt waar tactiek verschijnt’’, is een gevleugelde uitspraak van Piet Keizer. En gelijk heeft hij. Dat verschijnen en verdwijnen gebeurt vaak aan het einde van of net na de onderbouw-fase van de jeugdopleiding (tot dertien jaar). Dit heeft niet alleen te maken met wat wij onze jeugdtrainers meegeven in de trainerscursussen, maar ook met het feit dat er in Nederland vanaf de D- pupillen elf tegen elf op een volledig veld gespeeld wordt. En dat elf tegen elf, met al zijn team-tactische aspecten als optimale veldbezetting, kantelen, druk zetten en doordekken, moet natuurlijk worden getraind (teamparadigma!). Hetgeen dus volop gebeurt. En vaak met de beste bedoelingen, want trainers willen hun spelers op de best mogelijke manier voorbereiden op de wedstrijd van zaterdag.

Willen we de techniek binnen de opleiding vanaf twaalf jaar niet laten verdwijnen, dan moet er, naast een aantal andere aanpassingen binnen het veel geschiktere spelersparadigma, dus iets veranderen aan de wedstrijdvormen voor onze jeugd. Het is natuurlijk een legitieme vraag op welke leeftijd er dan wel begonnen moet worden met het elf tegen elf, maar op dit moment gebeurt het in ieder geval veel te vroeg. De jongste spelers die elf tegen elf spelen, zijn nog maar net tien jaar oud wanneer het seizoen in augustus/september begint. We vragen dus een tienjarige om zich optimaal te ontwikkelen en zich te bewijzen binnen een spel met aantallen en afstanden die gelijk zijn aan en afgestemd op het fysieke en inzichtelijke bereik van volwassenen. Hoe absurd dat is, toonde de BBC aan met een mooi filmpje.

Gelukkig is er steeds meer oog voor dit probleem en worden er initiatieven ontwikkeld (onder andere de Twin Games; wedstrijdvormen in kleinere aantallen en ruimtes) om zaken ook daadwerkelijk ten goede te veranderen. Er is echter nog een hoop werk te verzetten.

Doorontwikkelen technische vaardigheid

Natuurlijk komen er, zoals eerder gezegd, in de opleiding van een voetballer na de technische basisvorming in de onderbouw gaandeweg steeds (belangrijke) aspecten bij. Tactische vorming is er één van. Maar technische ontwikkeling hoort ten alle tijden centraal te staan en ook altijd door te gaan (‘’if you don’t use it, you’ll lose it…’’). Doordat die permanente doorontwikkeling er in de praktijk te vaak bij inschiet, zien we veel spelers in de absolute top van onze nationale voetbalpiramide die fundamentele technische tekortkomingen hebben die ook in latere fases van hun opleiding gewoon intensiever getraind hadden kunnen en moeten worden.

Een onderdeel van de visie die door Cruijff en Jonk is aangedragen, is dat ‘de cultuur van de straat terug moet in de opleidingen’. De hoofdgedachte hierachter is dat de technische vaardigheid en de mentaliteit van onze grootste voetballers niet geheel toevallig op de straat zijn gevormd.

Voordat we gaan kijken op welke manieren we het nagenoeg verdwenen straatvoetbal zouden kunnen nabootsen en implementeren in de opleiding, is het goed om eerst wat breder te kijken naar wat waarschijnlijk de impact was van straatvoetbal.

Op de eerste plaats is daar het kwantitatieve aspect. Onder andere het simpele feit dat “de straat” of “het ‘trapveldje” vaak letterlijk om de hoek lag en er weinig tot geen verleidingen waren om binnen te blijven (geen iPad, computergames, etc.). De jeugd maakte simpelweg veel meer uren met de bal dan die van nu. Dat verschil in balcontacturen moet gecompenseerd worden.

Daarnaast ligt in het traditionele straatvoetbal een aantal kwalitatieve elementen opgesloten die uitermate gunstig zijn voor een effectief leerproces. De belangrijkste:

1- Differentieel leren

De theorie achter differentieel leren gaat er, simpel gezegd, vanuit dat geen enkele skill (een pass binnenkant voet, een schaarbeweging…) altijd voor de volle honderd procent op exact dezelfde manier wordt uitgevoerd. Situaties, omstandigheden en toestanden waarin de skills worden toegepast, zijn immers continu aan veranderingen en variaties onderhevig. Binnen een optimaal leerproces is het dus essentieel om het brein te trainen in het omgaan met die (subtiele) veranderingen en variaties, wat in het straatvoetbal volop en spelenderwijs gebeurt. Want de ene keer speelde je met jouw bal, de andere keer met die net iets zwaardere bal van de buurjongen, of zelfs met een tennisbal omdat er op het schoolplein niet met een voetbal gespeeld mocht worden. En de ene keer speelde je partijtjes op het grasveldje voor de deur van je vriendje en de andere keer op de straat achter je huis, waar twee rijen paaltjes als doelen dienden. Doelen waarin je alleen kon scoren door de voorliggende stoepranden op enigerlei wijze (bijvoorbeeld door middel van een subtielegevoelvolle ‘chip’) te omzeilen. De verschillende soorten ballen, de diverse ondergronden en omstandigheden; het vergt continu aanpassingen die je min of meer onbewust in je uitvoering van skills maakt. Hetgeen de beheersing van die skills en de verfijning in de techniek ten goede kwam.

2- Balans tussen specifiek en complex trainen

Toen ik Johan Cruijff een keer vroeg wat volgens hem de beste manieren zijn om techniek te trainen (oefenen met of zonder druk van een tegenstander, oefenen in simpele of complexere situaties), zei hij:

‘’Als ik als jongetje mijn bal uit de gang pakte en de straat op ging, en er was verder niemand, dan trapte ik de bal tegen een muurtje. Honderden keren, met links, met rechts, met de binnenkant, met de buitenkant. En doordat die bal weer terugkwam, moest ik hem ook elke keer weer controleren.

Als mijn buurjongen ook buiten was, dan kopten we de bal naar elkaar over, of speelden we 1 tegen 1. En als de hele buurt uitliep, ja, dan werden er partijtjes gespeeld. 4 tegen 4, 5 tegen 5, soms wel 8 tegen 8. Of 2 tegen 6, als die 6 niet zo heel goed waren. Ik deed dus eigenlijk van alles wat.’’

Wat Cruijff hier in wezen zegt, is dat het niet gaat om de vraag wat beter is (specifiek of complex trainen), maar om de combinatie van die twee. Door die combinatie kunnen de voordelen van beide vormen worden benut en versterken ze elkaars effect. Voor het ‘specifiek trainen’ is een voordeel met name het grote aantal herhalingen die binnen relatief korte tijd van een specifieke skill kunnen worden gemaakt, waardoor die skill tot in detail kan worden geoefend en tot op zekere hoogte kan worden geautomatiseerd. Binnen het ‘complex trainen’ worden spelers uitgedaagd in het toepassen van skills binnen een bepaalde context, waarbij aspecten als tijd en ruimte van invloed zijn. Er moet, bijvoorbeeld bij een pass binnenkant voet, rekening gehouden worden met waar, hoe snel en in welke richting zowel tegenstanders als medespelers lopen.

3- Impliciet leren

Toen Wim Jonk op de lagere school zat, voetbalde hij iedere dag op het nabij gelegen plein. Vaak met anderen, maar ook vele uren in zijn eentje.

‘’We hadden een plein met een muur waarop we een doel hadden getekend’’, vertelt hij hierover. ‘’Daar ging dan vaak ook een keeper in staan, en met een paar jongens probeerden we dan op allerlei manieren te scoren. Vanuit een voorzet, of een vrije trap. Ook stonden er op dat plein twee kleine doeltjes op een behoorlijke afstand van elkaar. Als er verder niemand was, dan probeerde ik vanuit een strakke wreeftrap steeds in die doeltjes te mikken. Eerst vanuit stilstand en later vanuit een dribbel. Ik dacht hierbij eigenlijk nooit na over hoe ik precies trapte. Ik probeerde de bal vanuit mijn gevoel te raken en als ik succes had, probeerde ik dat gevoel vast te houden.

Ik kan mij niet herinneren dat ik op het gebied van techniek echt iets van een trainer ofzo geleerd heb, in de zin dat er iemand naast me stond die vertelde hoe ik een beweging moest uitvoeren. Wel keek ik veel af, bijvoorbeeld van oudere jongens in de buurt. Of als ik Johan op televisie met die buitenkant voet had zien trappen, dan ging ik dat meteen op mijn manier uitproberen.’’

Dennis Bergkamp had een soortgelijk verhaal toen ik hem een keer vroeg hoe hij zijn techniek tijdens zijn jeugd heeft ontwikkeld.

‘’In mijn hele opleiding heb ik, in ieder geval op technisch vlak, van geen enkele trainer iets geleerd. Ik deed gewoon heel veel zelf, op straat bijvoorbeeld. Dan schoot ik urenlang ballen tegen een muur. En daarin was ik dan steeds op zoek naar variatie en extremen; extreem harde ballen, trappen met extreem veel effect, schieten met rechts, met links, hoog, laag. Waardoor ik mezelf ook dwong de terugspringende ballen op allerlei manieren te controleren.’’

In bovenstaande verhalen vinden we onder andere het impliciet leren terug. Zonder de expliciete instructie van trainers of andere volwassenen verkenden Wim Jonk en Dennis Bergkamp de mogelijkheden van de bal en kregen zij al doende alle mogelijke functionele technieken onder de knie. Een leerstijl die maakt dat, zo heeft onderzoek uitgewezen, geleerde motorische vaardigheden ‘vaster’ in het systeem zitten dan wanneer er voornamelijk ‘expliciet’ geleerd is. Dit verschil zal vooral tot uiting komen als een skill onder grote druk, bijvoorbeeld in een beslissende situatie in de CL- finale, uitgevoerd moet worden. Voor wie interesse heeft meer over deze leerstijlen te lezen, is ‘Motorisch leren en functioneren’ van Jorrit Reehorst en Hanno van der Loo de moeite waard.

4- Persoonlijkheidsontwikkeling

Toen ik de eerste keer met een groep Ajax- pupillen de parkeerplaats op liep, de spelers een zak ballen, hesjes en wat hoedjes gaf en zei dat ze zelf mochten weten wat ze met die spullen gingen doen, was een aantal wel even in de war. ‘’Dus we mogen het echt helemaal zelf weten?’’, vroeg er eentje. “Ja’’, zei ik. Een paar spelers keken elkaar aan met een mengeling van voorpret en verbazing. ‘’Dus ook partijtje?’’, vroeg er eentje voor de zekerheid. ‘’Ja, ook partijtje. Of naar elkaar over trappen, of eén tegen eén. Wat jullie willen’’, antwoordde ik.

Het werd uiteraard partijtje. Want dat blijft natuurlijk het mooiste om te doen voor ze. In het begin vond een aantal jongens het nog wel moeilijk om dat binnen de poorten van Ajax helemaal zelf te regelen: “Trainer, trainer, die bal was uit voor ons!’’, een vraag om mijn hulp die ik natuurlijk negeerde. Na verloop van tijd losten de spelers alles prima met elkaar op. Na een paar ‘straat-sessies’, begonnen sommige spelers ook andere dingen te doen dan partijtje, zoals voetvolley, kopspelletjes, eén tegen eén, passoefeningen, etc.

De leeftijden tijdens de straat-sessies liepen overigens behoorlijk uiteen; eerstejaars F- jes die partijtjes speelden met en tegen tweedejaars E – tjes was heel normaal en versterkte het idee van echt straatvoetbal. In dat echte straatvoetbal loopt immers ook alles door elkaar en leert jong van oud en oud van jong. Door een straatvoetbalomgeving te creëren, ontwikkelen spelers niet alleen voetbaltechnische kwaliteiten, maar worden ze ook uitgedaagd in sociale omgang, zelfregulatie en leiderschap. Stuk voor stuk ontwikkelgebieden die hen verder kunnen brengen als voetballer en als mens.

Implementatie

Er zijn grofweg drie domeinen waarbinnen we de straatvoetbal- gedachte kunnen en zullen moeten implementeren in de totale opleiding:

1- De training op de club

2- ‘Training’ thuis (huiswerk)

3- De wedstrijd op zaterdag

De eerste twee zijn vrij eenvoudig te realiseren. Voor de training op de club heb je een ruimte nodig (een stuk grasveld, maar het liefst een harde ondergrond als steen of asfalt) en de bereidheid van trainers om zich een gedeelte van de trainingsweek zo weinig mogelijk te bemoeien met het spel van de spelers. Uiteraard vanuit begrip en overtuiging van het doel en het belang.

Huiswerk kan gegeven worden in de vorm van min of meer concrete opdrachten (een bepaalde skill bijvoorbeeld). Daarbij gaat het er vooral om de spelers te inspireren in uitvoering (onder meer door beelden van topspelers te gebruiken) en in mogelijkheden om die uitvoering in de eigen omgeving te oefenen. Indien nodig kan de opleider suggesties doen met betrekking tot het gebruik van muurtjes, lantaarnpalen en stoepranden. Door huiswerk regelmatig op een speelse en uitdagende manier te ‘overhoren’ op de club, worden spelers extra gemotiveerd om veel en hard te oefenen.

Over het derde domein (de wedstrijd op zaterdag) is al veel gezegd in dit artikel. Vooral bij de pupillen is het zaak ‘de cultuur van de straat’ ook zo veel mogelijk te integreren in wedstrijdverband. En voor alle leeftijdscategorieën in ieder geval kaders (met name met betrekking tot aantallen en veldafmetingen) te scheppen met de best mogelijke voorwaarden voor optimaal spelplezier en ontwikkeling. Deze integratie ligt (althans op nationaal niveau) een stuk ingewikkelder en in is een onderwerp op zich, waar nog veel over gezegd en geschreven zal worden.

‘Vaak ga je pas vooruit

Door volledig terug te keren

En dat wat je geleerd hebt

Gewoon weer af te leren’

Wellicht een belangrijke les voor een voetballand in crisis. Vergeten we de techniek en leggen we de verkeerde accenten, dan maken we een historische fout. We moeten dus oog houden voor de basis, want zonder brede basis geen piramide met een hoge top.

Maar dat is logisch…

Heb je genoten van dit artikel? Overweeg dan eens om het te kopen via onze button in Blendle. Gewoon als bedankje aan de schrijver! 

About Michel Hordijk

Michel Hordijk was tussen 2011 en 2015 technisch manager in de onderbouw van Ajax. In die rol was hij betrokken bij het opzetten van de Twin Games.