Een andere kijk op opleiden

De afgelopen maanden is er veel gedebatteerd over de toekomst van het Nederlandse voetbal. Op basis van het voetbalcongres, waar de crème de la crème van het Nederlands voetbal aanwezig was, heeft de KNVB een elftal speerpunten opgesteld. Het invoeren van deze speerpunten zou moeten leiden tot structurele verbetering van de kwaliteit van het Nederlands voetbal, maar daar kunnen serieuze vraagtekens bij geplaatst worden.

De manier waarop naar deze problematiek gekeken wordt, is namelijk bepalend voor de kwaliteit van de oplossingen. Een probleem wordt altijd veroorzaakt vanuit een bepaalde manier van denken en kijken. Het oplossen van structurele problemen vergt een radicaal andere manier van denken en kijken. Meestal lukt het immers diegenen die het probleem hebben veroorzaakt – maar structureel niet slagen dit op te lossen – niet een antwoord te vinden. Hulp is daarom welkom.

IMG_0949

 

In dit artikel gaan we jeugdopleidingen vanuit een ander perspectief dan de traditionele teamfocus bekijken. Het doel hiervan is begrip te krijgen voor het ontstaan van bepaalde (negatieve) verschijnselen, zoals het geboortemaandeffect en het bieden van een nieuwe invalshoek om de kwaliteit van het Nederlands voetbal te verhogen.

Hetzelfde maar dan anders

Een paradigma is een referentiekader van waaruit de werkelijkheid wordt geïnterpreteerd. Hoe kijk je naar de werkelijkheid? Dat is het makkelijkste toe te lichten met het bekende plaatje van de konijneend. Feitelijk kijk je naar één plaatje maar doordat je via een andere bril kijkt, wordt dezelfde werkelijkheid op een totaal andere wijze ingekleurd.

Perceptie. Een plaatje bevat twee werkelijkheden tegelijkertijd

Perceptie. Een plaatje bevat twee werkelijkheden tegelijkertijd

 

De wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn heeft het over een paradigmaverschuiving als mensen dezelfde werkelijkheid op een geheel andere manier gaan zien en verklaren. Het is dan nodig dat de nieuwe kijk op hetzelfde geaccepteerd wordt en het oude losgelaten wordt. Nieuwe paradigma’s die fundamenteel verschillen van heersende paradigma’s roepen vrijwel altijd veel weerstand op bij de gevestigde orde voordat ze algemeen geaccepteerd worden, als ze überhaupt geaccepteerd worden.

In voetballend Nederland staan we op zo’n kruispunt van het verlaten of vasthouden aan een heersend paradigma. Het belangrijkste onderdeel van het Nederlands voetbal is de jeugdopleiding. De jeugdopleiding kan vanuit twee perspectieven bekeken worden:

  • als een aantal teams dat elk jaar een competitie spelen en waar vanuit het laatste team in de opleiding (de beloften of de A1) sommige spelers de overstap naar een profteam maken
  • als een productiesysteem waarbinnen een individuele speler zich ontwikkelt tot profvoetballer

De eerste manier van kijken noemen we het teamparadigma en de tweede manier het spelerparadigma.

Een opleiding gezien vanuit het teamparadigma

Een opleiding gezien vanuit het teamparadigma

 

Een opleiding gezien vanuit het spelerparadigma

Een opleiding gezien vanuit het spelerparadigma

 

Als je langs de lijn staat, is het verleidelijk het jeugdvoetbal te zien als een jonge variant van profvoetbal. Maar zodra je afstand neemt en met een procesbril naar jeugdvoetbal kijkt, ontstaat een ander beeld. Essentieel bij het analyseren van wat dan ook is dat je een vertrekpunt hebt. Ik kies als uitgangspunt een definitie van de doelstelling van de professionele jeugdopleiding in Nederland. Een logische doelstelling van een (professionele) jeugdopleiding is de ‘productie’ van een aantal voetballers met een genormeerde kwaliteit. Vanuit het perspectief van een Nederlandse topclub kan deze productie een bepaald aantal spelers per jaar van Europese subtop kwaliteit zijn. Voor het gehele Nederlandse voetbal geldt dat de geproduceerde spelers de kwaliteit van het Nederlands (club)voetbal in de toekomst moeten verhogen.

Het woord ‘productie’ in de definitie is essentieel. Dit betekent namelijk dat aan de ‘grondstoffen’ (lees: jongste jeugd) dusdanig kwaliteit wordt toegevoegd dat het ‘eindproduct’ (doorgestroomde jeugdspelers) voor een substantieel deel maakbaar is. Over de nature-nurture discussie (is talent aangeboren of trainbaar?) is inmiddels veel geschreven. Tegenwoordig wordt verondersteld dat de nature-nurture discussie eigenlijk al achterhaald is; beiden beïnvloeden elkaar constant. Ik ga uit van een substantiële maakbaarheid van talent en schaar mij achter een aantal populaire wetenschappers en talentontwikkelingexperts als Ericsson, Ankersen, Gladwell en Sloboda. Het tegenovergestelde beweren, namelijk dat jeugdspelers niet of zeer beperkt maakbaar zijn, zou betekenen dat het weinig uitmaakt wat je investeert in jeugdopleidingen. Dan kunnen we onze tijd, geld en moeite beter besteden aan het verhogen van het geboortecijfer.

Teamparadigma

Ondanks het doel van het Masterplan jeugdvoetbal (2001-2011) om individuele talentontwikkeling als basis te nemen is de heersende manier van denken over en kijken naar jeugdopleidingen in Nederland gebaseerd op het teamparadigma. Mede door het stringenter naleven van kwaliteitseisen aan de trainerslicenties, waarbij het boek voetbaltheorie van Tamboer, Van Lingen en Verheijen (2004) als basis diende, is de focus in de opleiding – wellicht onbedoeld – zelfs nog meer komen te liggen op het team.

In deze voetbaltheorie wordt voetbal beschreven als een teamsport, waarbij elf spelers samenwerken om tot winst te komen. Vanuit die gedachte staat bij het voetbalteam alles in dienst van de wedstrijd (elf tegen elf). Daarin is de teamprestatie van het grootste belang. De taak van de trainer is dus het verbeteren van het samenspel, waardoor zijn elftal beter gaat presteren. Vanuit deze invalshoek kijkt voetballend Nederland doorgaans ook naar jeugdvoetbal: als het team als geheel vooruitgang boekt, zetten de spelers individueel ook stappen. Talent is voor het grootste deel aangeboren en de besten worden er vanzelf uitgefilterd na een zwaar selectieproces. De ontwikkeling van spelers is dan een afgeleide van de ontwikkeling van het samenspel van het team en voor een groot deel genetisch bepaald. De teamomgeving en de weerstand in wedstrijden zorgen voor het proces van survival of the fittest.

Daarnaast is er een organisatorische reden voor de focus op het team in het jeugdvoetbal. De moderne geschiedenis van het voetbal ontstond in Engeland aan het begin van de negentiende eeuw vanuit het schoolvoetbal. Omdat schoolklassen waren opgedeeld in jaargangen, werden de teams automatisch in jaargangen opgedeeld en als “klas” benaderd. Met de opkomst van de profclubs werd de organisatie van het eerste elftal vervolgens rechtstreeks door gekopieerd naar de jeugdopleidingen. Dus zo ontstonden jeugdteams met een hoofdtrainer en soms een assistent.

Uiteraard is voetbal een teamsport van elf tegen elf. Het samenspel is een belangrijke factor om tot winst te komen. Maar het samenspel verbeteren, betekent niet dat de individuele speler vanzelf beter wordt. Zelfs winst van het team, betekent niet automatisch dat individuele spelers beter worden. Hiermee wordt namelijk voorbijgegaan aan de belangrijkste factor bij talentontwikkeling, namelijk het verschil tussen actuele prestaties en potentiële prestaties. Dat wat een speler nu kan, is belangrijk, maar dat wat hij zou kunnen, is veel belangrijker. Zo kan beter samenspel vandaag zelfs leiden tot slechter samenspel morgen. Dat wat vandaag gevraagd wordt qua niveau, is namelijk geen enkele graadmeter voor wat morgen gevraagd wordt, bijvoorbeeld op Europees topniveau.

IMG_0853

 

Dat kan simpel geïllustreerd worden met een voorbeeld uit de praktijk. Stel dat een rechtsbuiten in de Eredivisie voor B-junioren moeite heeft met het naar binnen komen en afronden met links, dan zal hij deze actie niet snel uitvoeren tijdens de wedstrijd. Immers een actie maken die balverlies kan inluiden, is slecht voor het teamresultaat. Er individueel of met een kleine groep op trainen, kost tijd. Tijd die niet gebruikt kan worden om onderdelen die belangrijk zijn voor het samenspel en dus het teamresultaat, zoals omschakelen, te verbeteren. Eindresultaat is dat deze buitenspeler – die weliswaar op hoog niveau acteert – zich waarschijnlijk nooit zal ontwikkelen tot een buitenspeler van wereldklasse.

Resultaat boven proces

Laat me over één ding duidelijk zijn. Zodra er sprake is van betaald voetbal in een eerste elftal, is het teamresultaat leidend. De prestatie van vandaag is dus leidend in het domein van een eerste elftal. Dit wil overigens niet zeggen dat de individuele focus totaal moet verdwijnen; spelers kunnen zich ook op latere leeftijd individueel op alle fronten nog eenvoudig verbeteren. Denk aan de vrije trappen van Juninho en Van Hooijdonk, de voorzet met het linkerbeen van Ruud Krol en het verbeteren van de snelheid van Cristiano Ronaldo.

Maar door het rechtstreeks kopiëren van het teamparadigma naar de jeugdopleidingen worden jeugdteams geleid alsof het kleine eerste elftallen zijn. Jeugdtrainers worden daardoor automatisch in het keurslijf van de hoofdtrainer van het jeugdteam geperst. Omdat vrijwel iedereen naar het resultaat kijkt, is het ook niet vreemd dat jeugdtrainers zich focussen op het team en het resultaat van de zaterdag. Het resultaat van de wedstrijd is in tegenstelling tot individuele ontwikkeling voor iedereen makkelijk zichtbaar. Deze primaire focus op het resultaat wordt gelegitimeerd vanuit het perspectief van de teamontwikkeling, waarin winnen ook in de opleiding het hoofddoel is. Daarnaast geldt vrijwel zonder uitzondering dat je in het domein van het eerste elftal (als hoofdtrainer of assistent) veel meer geld verdient dan als jeugdtrainer. Dus zo snel mogelijk in het betaald voetbal komen, is financieel lucratief. Tel daarbij de psychologische component op (Maslows motivatietheorie), namelijk de behoefte aan erkenning en waardering, die via de zichtbaarheid en de status in het betaald voetbal vele malen hoger is dan in het jeugdvoetbal, en er is sprake van een zichzelf versterkend proces. Hoe beter je presteert met je team hoe zichtbaarder je wordt. Hoe zichtbaarder je wordt, hoe sneller je op (hogere) posities binnen de club komt en hoe meer aanleiding dit geeft voor andere jeugdtrainers zichzelf zichtbaar te maken door te presteren.

De feedforwardloop die momenteel vaak optreedt in Nederlandse opleidingen

De feedforwardloop die momenteel vaak optreedt in Nederlandse opleidingen

 

Nederlandse opleidingen worden in mijn optiek in essentie ingericht en gerund vanuit het belang van de trainer en niet dat van de spelers. Dat jeugdspelers opgedeeld worden in vaste elftallen die op vaste tijden trainen en spelen, is vooral handig voor de organisatorische planning van de hoofd opleiding en trainers. Zij passen gedurende één jaar hun (eigen) visie op voetballen toe op de groep die zij tot hun beschikking hebben. Vervolgens worden de spelers na een jaar “over de muur” gegooid naar de volgende trainer, die mogelijk een totaal andere kijk op de zaak heeft. Gezien deze manier van werken is het risico groot dat jeugdopleidingen voor ambitieuze trainers als springplank naar een baan in het betaald voetbal fungeren.

Een van de symptomen van deze kijk op opleiden is het geboortemaand-effect. De KNVB deelt elftallen in leeftijdscategorieën van één jaar in, waarbij de grens is getrokken op 1 januari. Dat betekent dat spelers die in januari geboren zijn een groot voordeel hebben ten opzichte van talenten uit december, die bijna een jaar achterstand hebben in ontwikkeling. De talenten die tussen januari en juni geboren zijn, hebben gemiddeld fysiek, mentaal en qua trainingsuren een voorsprong op hun leeftijdsgenoten uit juli tot en met december. Scouts en trainers beoordelen oudere kinderen structureel positiever. Gevolg is dat spelers uit de eerste maanden van het kalenderjaar sterk oververtegenwoordigd zijn in de Nederlandse opleidingen. Dit probleem valt moeilijk los te zien van het kijken naar jeugdvoetbal vanuit het perspectief van het team, waarin de teamprestatie ook bij de jeugd centraal staat. Spelers met een achterstand – hoe talentvol ook – ondermijnen de teamprestatie en krijgen derhalve nauwelijks kansen.

Extra zorgwekkend is dat het Nederlandse voetbal voorbijgestreefd wordt door verschillende andere landen. Toen het masterplan van Louis van Gaal over het Nederlandse voetbal werd uitgerold, stonden creatieve spelers als Wesley Sneijder, Rafael van der Vaart, Arjen Robben en Robin van Persie op het punt om door te breken. We zijn nu vijftien jaar verder en behalve Memphis Depay heeft zich geen enkele opvolger voor hen aangediend. Dit verschijnsel is niet via het oude paradigma te verklaren. Volgens de KNVB-maatstaven worden onze jeugdopleidingen namelijk alleen maar beter als gevolg van betere faciliteiten, meer gediplomeerde trainers en hogere kwaliteitseisen aan de licentie-toekenning. Het is dus tijd voor een nieuw paradigma.

Spelerparadigma

Het idee dat het Nederlandse voetbal een paradigmaverschuiving van team naar individu nodig heeft, is de belangrijkste pijler onder Plan Cruijff, waarvan ik een van de schrijvers ben. Het spelerparadigma gaat er vanuit dat de speler centraal staat in de opleiding. Middelen, mensen en organisatie worden zodanig ingezet dat de speler in een meerjarig proces gefaciliteerd wordt in zijn ontwikkeling.

Nieuw is het spelerparadigma geenszins. De nestor van het individueel opleiden, Jany van der Veen (1917-2001), stuurde Johan Cruijff bijvoorbeeld een periode naar de atletiekvereniging, toen bleek dat hij fysiek een stap moest maken om het mogelijk te maken op zeventienjarige leeftijd te kunnen debuteren. Dit ging ten koste van het resultaat van het team waarin Cruijff op dat moment speelde, maar het was voor de ontwikkeling van Cruijff essentieel.

Het spelerparadigma is gebaseerd op een vijftal principes:

  1. Individuele ontwikkeling volgt een biologisch proces

In het teamparadigma wordt gedacht dat jeugdspelers vanaf zes jaar tot achttien jaar een regelmatige ontwikkeling doormaken die per opleidingsjaar is vastgelegd. Van de Onder-7 ga je naar de Onder-8 en elk jaar zijn er weer nieuwe ‘eindtermen’ waar de spelers in dat team aan moeten voldoen. Aan het einde van de opleiding hebben de spelers automatisch alle eindtermen gehaald en is er een speler opgeleid.

In werkelijkheid volgt de ontwikkeling van spelers biologische patronen die in fases te onderscheiden zijn en die tussen individuele spelers (extreem) kunnen verschillen. Deze ontwikkeling verloopt niet volgens een rechte lijn, maar vrijwel altijd grillig. Een speler kan dus in een bepaald seizoen zich super goed ontwikkelen, maar tijdens hetzelfde seizoen of het seizoen erna om verschillende redenen stagneren. Die stagnatie kan tijdelijk of permanent zijn.

  1. De speler staat centraal

Dit uitgangspunt lijkt een open deur, maar is het niet. In het teamparadigma staat het team centraal. Het gaat er dan om dat het team zaterdag tijdens de wedstrijd optimaal presteert. Als de speler centraal staat, wordt de opleiding rondom de speler georganiseerd. Het belang van de speler is het uitgangspunt van de gehele opleiding. Trainers, staf, organisatie, faciliteiten doen alles om de speler te helpen verbeteren. Het gaat dan om het verbeteren van de technische, tactische, fysieke en mentale kwaliteiten van de speler.

  1. De coach is een mentor

Een groot verschil met de coach in het teamparadigma is dat de coach in het spelerparadigma de speler persoonlijke begeleiding geeft waarbij leren centraal staat. De coach/mentor observeert de speler en past de leeromgeving aan op basis van de observatie, in plaats van de speler steeds te vertellen wat hij moet doen. Hij doet er alles aan om zich te verdiepen in de speler, zowel voetbalinhoudelijk als sociaal. Ook helpt hij de speler door hem te stimuleren zich te ontwikkelen.

Belangrijk is dat de speler zich veilig voelt bij de coach (mentor) en fouten durft te maken. Uitgangspunt is de speler inzicht te geven in waar hij uniek in is, waar hij plezier in heeft en hem te helpen zijn kracht te leren gebruiken en uitbaten. Het zelforganiserend vermogen wordt gestimuleerd door regelmatig afstand te nemen en de speler te laten ontdekken wat er goed gaat of beter kan.

Een essentieel aspect hierbij is de periodisering (planning van activiteiten). Daar waar de activiteiten momenteel vaak op teamniveau gepland worden, zal dit in het spelerparadigma op individueel niveau moeten gebeuren. Dit vergt een flinke logistieke en organisatorische inspanning. Er zijn in de opleiding namelijk niet slechts een handjevol teams die georganiseerd moeten worden, maar soms wel tweehonderd spelers die hun eigen planning (moeten) hebben. Planningen die om wat voor uiteenlopende redenen dan ook sterk van elkaar kunnen en ook moeten verschillen.

  1. De geprepareerde leeromgeving

Vanuit het perspectief van de speler behoren alle middelen, tools en faciliteiten die de club voor de opleiding beschikbaar stelt, gericht te zijn op de speler. Omdat de speler een biologisch proces van groei en ontwikkeling doormaakt dat onvoorspelbaar kan verlopen, is het van het grootste belang dat de omgeving van de speler zodanig ingericht is dat hij voortdurend gestimuleerd wordt tot zelfregulatie, het proces van bewustwording van het kunnen stellen van doelen, het plannen en evalueren van de ontwikkeling. Zelfregulatie is een essentiële eigenschap van topvoetballers. De coach/mentor begeleidt en faciliteert dit proces. Belangrijk hierbij is dat de (fysieke) omgeving zodanig is ingericht dat deze het observeren van de speler mogelijk maakt. Observatie is vanuit het perspectief van het team met name van belang en dus gericht op het moment van de wedstrijd (samenspel van spelers en individuele acties in relatie tot succes tijdens de wedstrijd), terwijl dit vanuit het perspectief van de speler veel meer gericht is op het proces van ontwikkeling van de speler in alle facetten (wat zijn de doelen, waar komt hij vandaan, hoe is de voortgang, wat is de context buiten de club, enzovoort).

Ook informatietechnologie kan een belangrijke bijdrage leveren aan de leeromgeving voor spelers. Denk daarbij aan het gebruik van video en andere vormen van informatieoverdracht.

Tenslotte zijn de trainingsfaciliteiten uiteraard van groot belang. Deze moeten worden aangepast aan de leeftijdsfase waarin spelers zich bevinden. Als opleiding kun je hier veel meer uithalen dan de bekende zak met ballen, pylonen en een stuk (kunst)gras. Denk hierbij aan het beschikbaar stellen van het parkeerterrein om de technische ontwikkeling door middel van straatvoetbal te bevorderen.

  1. Potentie en actualiteit

Tweeduizend jaar geleden maakten Griekse filosofen al een onderscheid tussen potentie en actualiteit. Potentie zegt iets over de eigenschappen die een object of persoon in de toekomst zou kunnen hebben. Actualiteit zegt iets over de eigenschappen die het object of de persoon nu heeft. De voetballerij heeft erg veel moeite om beide fenomenen uit elkaar te halen; vrijwel altijd gaat het over actualiteit.

Bij het scouten en het beoordelen van spelers zal vanuit het perspectief van het individu de potentie van een speler een belangrijke factor zijn. Vanuit het teamparadigma is het actuele niveau het belangrijkste. Op zaterdag moeten namelijk de spelers die op dat moment het beste presteren spelen om zo het samenspel te bevorderen en daarmee de kans op winst te vergroten. Ook bij het scouten wordt vanuit het teamparadigma gekeken naar het actuele niveau (is Pietje van die andere club beter dan onze Jantje?). Vanuit het individuele paradigma wordt niet alleen gekeken naar het actuele niveau, maar ook naar het potentiële niveau van de speler.

Rasmus Ankersen (The Gold Mine Effect, 2012) gebruikt een handig model om beter te begrijpen hoe het actueel en potentieel niveau van invloed is op talentontwikkeling, wat uitgelegd wordt in het onderstaande filmpje.

Ankersen deelt talenten in vier categorieën op: voetballers met een lage potentie kunnen een laag of hoog huidig niveau hebben en hetzelfde geldt voor voetballers met een hoge potentie. Je kunt je voorstellen dat op verschillende manieren gekeken wordt naar spelers in deze vier kwadranten. Hoe meer je als opleider of trainer gericht bent op direct resultaat hoe meer je de spelers met een hoog actueel niveau zult waarderen en gebruiken. Echter als je meer gericht bent op resultaat in de toekomst, dan zullen de spelers met een hoog potentieel interessanter zijn.

Je kunt dus vanuit twee perspectieven naar een jeugdopleiding en naar jeugdtrainingen en -wedstrijden kijken. Duidelijk is dat het kijken naar een opleiding vanuit de bril van de speler totaal andere gevolgen heeft voor organisatie, training en beslissingen over spelers dan vanuit de bril van het team. De vraag die blijft hangen, is welk paradigma meer kans biedt op succes.

Feiten bijten

Het geboortemaandeffect bevestigt de aanname dat er sprake is van een teamparadigma in het jeugdvoetbal. Daarnaast geeft het indirect bewijs dat het benaderen van jeugdspelers vanuit een teambril niet optimaal is. Hoe zit dit precies? Statistieken uit de top van het jeugdvoetbal laten zien dat spelers geboren in de eerste helft van het jaar veruit oververtegenwoordigd zijn ten opzichte van spelers geboren in de tweede helft van het jaar. Gemiddeld gezien is tachtig procent van de jeugdspelers van topclubs of van selectieteams van amateurclubs geboren in de eerste helft tegenover twintig procent geboren in de tweede helft van het jaar. Dit is vreemd – gemiddeld gezien worden in elke maand ongeveer evenveel kinderen geboren. Spelers geboren in de eerste helft van het jaar hebben dus zowel een fysieke voorsprong door de groei als een ontwikkelingsvoorsprong; zij hebben immers gemiddeld een half jaar langer geprofiteerd van training.

Kijken we naar het niveau van de Champions League of het Wereldkampioenschap, dan zien we dat die verhoudingen normaliseren naar 55 procent geboren in de eerste helft van het jaar en 45 procent in de tweede helft van het jaar. Als we weten dat de gemiddelde leeftijd in de CL en het WK rond de 26 jaar is, dan betekent dit dat spelers met potentie geboren in de tweede deel van het jaar dus pas na hun jeugdopleiding in de top komen bovendrijven. Oftewel: een grote groep spelers met een laag actueel niveau en een hoog potentieel niveau tijdens hun jeugdjaren worden of niet gescout of niet optimaal ontwikkeld.

De (pijnlijke) conclusie dat het actuele niveau belangrijker is voor opleiders en scouts dan het potentiële niveau in het huidige paradigma van opleiden, is dus gerechtvaardigd.

Daarmee kunnen we nog niet concluderen dat het benaderen van de opleiding vanuit de bril van de speler er voor zorgt dat de juiste spelers (die met de meeste potentie) gescout worden en in de opleiding mogen blijven.

Er is echter wel aanleiding te veronderstellen dat het spelerparadigma meer kans biedt hierop. Het kijken naar de teamprestatie van vandaag als middel om elk individu optimaal te ontwikkelen, impliceert dat beperkende factoren voor optimale talentidentificatie en –ontwikkeling , zoals fysieke achterstand, trainingsachterstand, tijdelijke sociale of psychologische belemmeringen roet in het eten van de betreffende speler kunnen gooien. De speler die net even een slechte periode heeft door een scheiding van zijn ouders wordt niet gescout, de speler die een jaar geblesseerd is als gevolg van de groei, haakt niet aan bij het gemiddelde fysieke niveau in de A-junioren en moet de opleiding verlaten, en ga zo maar door.

Uiteraard zullen foute beslissingen over spelers bij een opleiding die gefocust is op het individu nog steeds gemaakt worden, omdat het voorspellen van ontwikkeling lastig is. De kans op fouten zal echter wel kleiner worden, omdat het huidige prestatie niveau expliciet losgekoppeld wordt van het mogelijke prestatieniveau. Daar waar vanuit de wedstrijdprestatie alleen het huidige niveau telt, geldt vanuit ontwikkeling vooral het proces. Hierdoor wordt de actuele prestatie in een perspectief van tijd en context geplaatst. Het kan best zijn dat een speler die vroeger top was, een jaar minder presteert door bijvoorbeeld problemen thuis, dat betekent niet dat deze speler direct moet worden afgeschreven. De hamvraag is dan hoe je kunt weten welke ontwikkeling een speler heeft gemaakt en nog zal maken.

Meten

Een van de grootste uitdagingen van het spelerparadigma is om de ontwikkeling van het individu te meten. Immers, het vastleggen van gegevens en data is sowieso een ondergeschoven kindje in de voetballerij. Daar waar vroeger alleen wat fysieke parameters werden gemeten zoals snelheid en uithoudingsvermogen, zien we gelukkig een verschuiving naar voetbalstatistieken. Deze statistieken zijn echter voornamelijk wedstrijdgerelateerd en worden in het profvoetbal (als ze al gebruikt worden) voornamelijk ingezet om de teamtactische prestatie te beoordelen en/of om de bijdrage van spelers in het samenspel te evalueren.

Het meten van ontwikkeling en het meten van potentie is echter voorlopig nog braakliggend terrein. De sterke groei en ontwikkeling van technologische hulpmiddelen biedt genoeg houvast voor een toekomst waarin deze zullen worden ingezet om potentie te meten. Uiteraard is het vanuit een teamparadigma niet zo interessant om de potentie te meten. De actuele prestaties valt met het blote oog wel waar te nemen, zo wordt verondersteld. Dat visuele observatie slechts in beperkte mate geschikt is om objectieve oordelen te vellen over wat er zich werkelijk op het veld heeft afgespeeld of had kunnen spelen, wordt met de opmars van de Expected Goals-modellen steeds duidelijker. De toepassing hiervan in de voetballerij verloopt echter extreem traag.

Beter of anders?

Moeten nu alle opleidingen hals over kop overstappen naar het spelerparadigma? Allereerst lijkt me dat onmogelijk. Elke paradigmaverschuiving verloopt zeer geleidelijk. Daarnaast is het maar de vraag of het spelerparadigma uiteindelijk het teamparadigma zal overvleugelen. Die verwachting heb ik wel. De invloed van sociaal-economische veranderingen zoals meer concurrentie, de vrije markt voor zaakwaarnemers, de groei van de voetbalmarkt, technologische vernieuwingen en de verdere individualisering van de maatschappij zullen een meer individuele benadering van opleiden noodzakelijk maken. De markt- en financiële ontwikkelingen alsmede regelgeving (Financial Fair Play) zorgen voor steeds meer druk en concurrentie. Ook het ontwikkelen van nieuwe markten, denk aan de Verenigde Staten en Azië, zal de ontwikkeling van het jeugdvoetbal in kwantiteit verder doen toenemen. Of de kwaliteit daar direct mee zal gaan verbeteren, is de vraag.

Voorlopig kun je alleen concluderen dat beide perspectieven anders zijn. Die verschillen uiten zich in de manier van kijken naar talent. Hieronder heb ik in een overzicht de mogelijke meningen over de verschillende typen spelers uitgewerkt voor beide paradigma’s.

mogelijke interpretatie van verschillende typen spelers aan de hand van twee paradigma’s

Mogelijke interpretatie van verschillende typen spelers aan de hand van twee paradigma’s

 

Hoe verder?

De teambenadering heeft in de afgelopen decennia tal van topspelers opgeleverd. Dat staat buiten kijf. De spelerbenadering moet zich echter nog bewijzen. De grootste verschillen tussen beide paradigma’s staan in het volgende overzicht op een rij.

Ruben_tabel2

De grootste verschillen tussen beide paradigma’s

 

Of er een definitieve paradigmaverschuiving zal optreden, is niet duidelijk. Hoewel clubs als Manchester City en Chelsea, koopclubs bij uitstek, hun opleiding zeer sterk ontwikkelen en langzaamaan opschuiven naar veel meer individuele begeleiding (conclusie op basis van persoonlijke gesprekken en bezoeken), is de geïnstitutionaliseerde weerstand hardnekkig. Inkomensverschillen tussen trainers in de jeugdopleiding en trainers van het eerste elftal zijn nog steeds enorm, de media-aandacht voor jeugdvoetbal staat in schril contrast met die voor de eerste elftallen en emotie (nostalgie, egocentrisme) blijkt nog steeds bij veel clubs belangrijker dan logica (proactief logisch, feitelijk). Hierdoor is de weerstand tegen de emancipatie van de speler en het ontmantelen van de macht van de trainer ten gunste van die van de speler een belangrijke beperkende factor voor verandering. Een fenomeen waar zaakwaarnemers gretig gebruik van maken. Niettemin denk ik dat binnen een decennium talrijke clubs en bonden een verschuiving gemaakt zullen hebben naar het spelerparadigma, simpelweg omdat tot meer succes zal leiden.

About Ruben Jongkind

Ruben Jongkind is voormalig hoofd talentontwikkeling bij Ajax. Voor Catenaccio schrijft hij een artikelenreeks over jeugdvoetbal. Volg Ruben op Twitter | Meer artikelen van Ruben