De vijf problemen van Oranje

Door smadelijke nederlagen tegen IJsland (0-1) en Turkije (3-0) dreigt Nederland voor het eerst sinds 1984 een EK te missen. De onervaren bondscoach Danny Blind ligt nu al onder vuur en ook KNVB-directeur Bert van Oostveen krijgt de volle laag. In de media worden ondertussen verhitte discussies gevoerd over het falen van Oranje, waarbij de schoenen van Memphis Depay en kunstgras serieus aangehaald worden als oorzaken. Hoog tijd dus voor een analyse van de daadwerkelijke problemen van Oranje.

Als we de media mogen geloven, is Danny Blind een bondscoach die net als Louis van Gaal uitgaat van structuren.

Als we de media mogen geloven, is Danny Blind een bondscoach die net als Louis van Gaal uitgaat van structuren.

 

Volgens bondscoach Danny Blind bestaan deze problemen niet. Zowel het verlies tegen IJsland als dat tegen Turkije weet hij aan individuele fouten. Los van het gegeven dat het de taak van een trainer is om ervoor te zorgen een systeem te creëren waarin individuele fouten niet direct fataal zijn, hoef je ook niet lang te zoeken om structurele fouten te ontdekken in het huidige Nederlandse elftal. Zo ging bij het eerste doelpunt van Turkije echt niet alleen Stefan de Vrij de mist in en waren Jasper Cillessen en Daley Blind niet de enige schuldigen aan de tweede tegentreffer.

Over de structurele problemen van Oranje kun je haast een boek volschrijven, maar laten we ons beperken tot de vijf hoofdzaken.

  1. Compactheid

Een gebrek aan compactheid was misschien wel het grootste problemen waar Oranje mee te kampen had in de laatste twee interlands. De hand van een goede trainer valt vaak te ontdekken in hoe compact een elftal speelt uit balbezit. Door de ruimtes klein te maken, moeten tegenstanders sneller handelen in een kleinere ruimte. Dit leidt automatisch tot fouten en derhalve minder tegengoals. Compactheid kan op twee manieren bereikt worden: door gegroepeerd druk te zetten (zoals Borussia Dortmund) of door massaal in te zakken (zoals Atlético Madrid).

In 1974 was Nederland nog een voorloper op het gebied van compactheid. De uitvinding van de buitenspelval maakte het voor Oranje mogelijk om het veld kleiner te maken en zo sneller de bal te veroveren. Inmiddels zijn Nederlanse teams in Europa vooral te herkennen aan een totaal gebrek aan compactheid.

Vooral op het gebied van horizontale compactheid is nog een wereld te winnen. Als de bal op de ene flank is, dan moeten de spelers aan de andere kant van het veld naar binnen komen om de ruimtes kleiner te maken. Wanneer dat goed gedaan wordt, is het geen risico om tegenstanders op de andere flank vrij te laten, want die kunnen dan slechts bereikt worden met lange, hoge passes die lang onderweg zijn. Nederlandse voetbalteams hebben echter de neiging om ook uit balbezit het veld breed te houden, waardoor tegenstanders meer tijd en ruimte krijgen dan strikt noodzakelijk.

De omcirkelde Jeffrey Bruma loopt achteruit en speelt zo IJsland in de kaart.

De omcirkelde Jeffrey Bruma loopt achteruit en speelt zo IJsland in de kaart.

 

Met de verticale compactheid is het al niet veel beter gesteld. De verdedigers van Oranje lijken zich niet comfortabel te voelen met veel ruimte in hun rug en lopen daardoor achteruit. Hierdoor worden de ruimtes erg groot, waar de IJslanders bijvoorbeeld van profiteerden bij hun goal in De Arena. Als de verdediging van IJsland vlak na rust de bal heeft, blijft het middenveld van het Nederlands elftal staan en loopt de laatste lijn terug. Tegelijkertijd is er ook geen druk op de bal, waardoor het kinderlijk eenvoudig is om Kolbeinn Sigthórsson in het strafschopgebied te zoeken met een lange bal. Daarna volgen een reeks individuele fouten die de treffer mogelijk maken, maar als de linies goed op elkaar waren aangesloten, dan hadden deze missers niet zulke grote consequenties gehad.

Een typisch Nederlandse veldbezetting. Tussen de verschillende linies zitten tientallen meters ruimte en de volledige breedte van het veld wordt benut. Een natte droom voor tegenstanders.

Een typisch Nederlandse veldbezetting. Tussen de verschillende linies zitten tientallen meters ruimte en de volledige breedte van het veld wordt benut. Een feest voor tegenstanders.

 

Het was schrijnend om te zien dat zowel Turkije als IJsland veel beter in staat bleek om als elftal compact te opereren. Daardoor was het mogelijk dat Nederland twee keer verloor van een kwalitatief inferieure tegenstander. Dat zou Blind zichzelf moeten aanrekenen.

  1. Vleugelspel

In balbezit zweert Nederland over het algemeen nog steeds bij het compleet achterhaalde vleugelspel. Een rechtspoot op rechts, een linkspoot op links en voor de pot slingeren die bal is het devies. Als een coach het waagt om een hangende buitenspeler op te stellen, dan loopt hij het risico om verketterd te worden. Met Memphis Depay stond er tegen IJsland en Turkije weliswaar een rechtspoot op links, maar hij kreeg van ‘analyticus’ Youri Mulder op zijn kop toen hij de bal een keer niet voorgaf. Dat hij genoeg andere bruikbare ballen gaf, werd voor het gemak door Mulder genegeerd.

Toch kunnen er de nodige vraagtekens bij gezet worden of het wel verstandig is om voorzetten te gebruiken als primaire aanvalsstrategie. Cijfers tonen namelijk aan dat voorzetten een bijzonder ineffectieve wijze zijn om gevaar te stichten. Afgelopen seizoen kwamen in de Eredivisie minder dan een kwart van de voorzetten aan en leidde slechts de helft daarvan tot een schot op doel. Slechts één op de 71 voorzetten leverde uiteindelijk een doelpunt op.

Dat ligt niet aan de matige kwaliteit van de Eredivisie. Deze cijfers zijn in voorgaande seizoenen en andere competities namelijk vergelijkbaar. De oorzaak is dat een voorzet over het algemeen makkelijk te verdedigen is. De bal is vanaf de flank lang onderweg, waardoor defensies de tijd hebben zich goed te organiseren. Mocht de voorzet wel zijn bestemming bereiken, dan leidt dat vaak tot een kopbal. Over het algemeen zijn inzetten met het hoofd minder krachtig en accuraat dan met de voet, wat de kans op een doelpunt wederom kleiner maakt. Neem de gemiste kopbal van Georginio Wijnaldum vlak na rust tegen Turkije. Als hij de bal op diezelfde positie voor zijn voeten had gekregen, dan was zijn inzet waarschijnlijk niet zo hopeloos naast het doel beland.

Dat Nederlandse teams vaak vooral via de vleugels aanvallen, is niet alleen onverstandig omdat voorzetten een ineffectieve strategie zijn. Puur vanuit een strategisch oogpunt zijn de flanken van het veld namelijk ook weinig waardevol. Spelers worden in die zone namelijk beperkt in hun opties door de zijlijn en bovendien is het doel ver weg, waardoor geen direct scoringsgevaar dreigt.

Afbeelding via het onvolprezen www.spielverlagerung.de.

Afbeelding via het onvolprezen www.spielverlagerung.de.

 

Steeds meer topcoaches in het internationale voetbal stemmen daardoor hun strategie af op het domineren van de zogenoemde halfspaces (lees voor meer info dit briljante stuk van René Maric). Deze halfspaces worden zichtbaar als het veld horizontaal verdeeld wordt in vijf vlakken. Uiteraard is de meeste centrale strook het meest waardevol: hier kun je alle kanten op en ben je het dichtst bij het doel. Aangezien deze strook echter altijd drukbezet is, heb je ook weinig tijd om keuzes te maken. Mede daarom wordt de aandacht gericht op de halfspaces, waar een extra voordeel is dat spelers een groter blikveld hebben. Ze staan immers diagonaal en niet verticaal ten opzichte van de goal.

Pep Guardiola is een van de trainers die optimaal gebruik maakt van dit gegeven door te streven naar een numerieke superioriteit in de halfspaces. Dit bereikt hij door zijn elftal te verbieden om met twee man tegelijk (bijvoorbeeld een back en een buitenspeler) een buitenste strook te bezetten. Spelers die aan de zijkant staan, kunnen immers niet tegelijk aanspeelbaar worden in de halfspaces. Om dit trainbaar te maken, is het trainingsveld bij Bayern München in vlakken verdeeld.

Dat het belang van halfspaces in ons land nog niet bepaald is doorgedrongen, blijkt wel uit het feit dat er niet eens een Nederlandse vertaling van het woord is. Gevolg is dat Oranje vrijwillig de controle over het centrum opgeeft, zodat over de vleugels aangevallen kan worden.

(Een andere strategisch cruciale ruimte op het veld is zone 14, maar net als over halfspaces praat geen enkele Nederlandse trainer daarover)

  1. Positiespel

Positiespel valt te definiëren als de bal zo rondspelen dat je als team ruimtes bereikt waar de tegenstander niet wilt dat je komt. Of zoals schakers zeggen: de beste stelling bereiken. Dat is Nederland tegen IJsland en Turkije maar bar weinig gelukt. Vaak werd de bal rondgespeeld in de zogenoemde grote U. De bal circuleert in het elftal zonder dat linies van de tegenstander worden doorbroken en daadwerkelijke terreinwinst wordt geboekt. Dat is geen positiespel, maar bezigheidstherapie.

Nederland bouwt op in de 'grote U'. Rechtsbuiten Arjen Robben valt net buiten beeld.

Nederland bouwt op in de ‘grote U’. Rechtsbuiten Arjen Robben valt net buiten beeld.

 

Groot tegenstander van dit soort voetbal is Pep Guardiola; ‘Ik haat tiki-taka’, aldus de veronderstelde uitvinder van dit type spel in het fantastische boek Pep Confidential. De Spaanse coach verkondigde dit statement na een wedstrijd waarin zijn Bayern München doelloos de bal had rondgespeeld. De spelers dachten op die manier hun nieuwe trainer een plezier te doen, maar ze bereikten exact het tegenovergestelde effect. Guardiola was woedend.

Dat is simpel te verklaren. Voetbal is een eenvoudig spel, waarin twee elftallen strijden om een doelpunt te maken. Daarin spelen twee componenten een rol: de bal en de ruimte. Om te scoren heb je de bal nodig op een plaats die zo dicht mogelijk bij het doel is, met zoveel mogelijk ruimte. Het team dat de bal heeft, bepaalt echter in beginsel niet waar het spel zich afspeelt. Zij zijn daarvoor afhankelijk van de positionering van de tegenstander. Als de opponent – zoals IJsland en Turkije – vrijwillig inzakt, dan krijg je de ruimte op eigen helft cadeau, maar wordt het lastiger om de ruimtes rond het doel van de tegenstander te domineren.

Om weer daadwerkelijk positiespel te gaan spelen en daadwerkelijk te domineren, zijn spelers met specifieke kwaliteiten nodig waarover Oranje momenteel niet beschikt. Teams die daadwerkelijk domineren, komen namelijk vaak in kleine ruimtes te spelen en daar zijn specifieke kwaliteiten voor nodig. Wie het middenveld van Oranje analyseert, komt tot de conclusie dat de spelers niet geschikt zijn voor deze speelstijl. Davy Klaassen en Georginio Wijnaldum zijn prototypes van de moderne middenvelder, met een ijzeren conditie en scorend vermogen. In de kleine ruimte hebben zij daarentegen niet het vermogen om met een steekpass een ploeggenoot voor de keeper te zetten. Zelfs de tweebenige Wesley Sneijder beleefde zijn beste periode in een team (Internazionale, 2010) dat op de omschakeling speelde. Op de helft van de tegenstander heeft hij vaak de neiging uit te wijken naar de linkerflank, waarmee hij zijn eigen gevaar elimineert. Daley Blind beheerst de kunst van het positiespel waarschijnlijk het beste, maar hij heeft spelers voor zich nodig die kansen creëren.

In de voorhoede is het al niet veel anders. Arjen Robben en Memphis Depay hebben de individuele kwaliteiten om een tegenstander in de één-op-één te passeren, maar hun alternatieven ontberen die klasse. Zo moet Luciano Narsingh het vooral hebben van zijn snelheid, waar hij weinig aan heeft zo diep op de helft van de opponent met weinig ruimte achter de laatste linie. Robin van Persie was ooit een complete nummer negen, maar in de laatste jaren is hij vooral een afmaker geworden. Iets wat Klaas-Jan Huntelaar altijd al was. Daar is op zich niets mis mee, maar als Oranje écht dominant wil voetballen op de helft van de tegenstander, zijn andere types nodig.   

  1. Middel is doel geworden

‘Wij kunnen niet op een resultaat spelen, want dat is ons spel niet’, zo vatte Danny Blind op de persconferentie voor het duel met Turkije kernachtig het probleem van het Nederlandse voetbal samen. Blind vindt blijkbaar dat Oranje op een bepaalde manier moet voetballen, ook als dit niet leidt tot resultaat. Een aanvallende speelstijl hoort een middel te zijn om tot resultaat te komen, maar in Nederland is het een doel op zich. Een ooit vooruitstrevende voetbalfilosofie is verworden tot dogma; Oranje speelt 4-3-3, omdat Oranje nu eenmaal 4-3-3 speelt. Het is niet verwonderlijk dat dit nergens toe leidt.

Daarmee is niet gezegd dat de Hollandse School definitief overboord gegooid moet worden, maar wél dat de speelstijl weer een bewuste keuze moet zijn in plaats van een gewoonte. Het doel van de Hollandse School was ooit de tegenstander onze wil opleggen door zowel in als uit balbezit te ageren in plaats van te reageren. Dat lukte door een combinatie van fanatieke pressing en goed positiespel.

Die twee aspecten van de Hollandse School zijn in Nederland sinds de jaren negentig nauwelijks doorontwikkeld, maar in andere landen is dat anders. Ajax werd totaal verpletterd door het waanzinnige pressingvoetbal van Red Bull Salzburg. Trainer Roger Schmidt krijgt hetzelfde tegenwoordig met Bayer Leverkusen voor elkaar. Of kijk naar Chili, dat afgelopen zomer door collectief druk te zetten op de bal de Copa América won.

Ook als het gaat om positiespel liggen de innovaties voor het oprapen. Pep Guardiola is daarin een prominente voorloper. Neem bijvoorbeeld de reïncarnatie van de valse nummer negen bij Barcelona of het spelen met inverted fullbacks bij Bayern München. Andere teams bewijzen dat goed positiespel ook mogelijk is met minder materiaal. Zo houdt Paco Jémez met fantastisch voetbal Rayo Vallecano in de Primera División en maakte Pablo Guede van het Chileense Palestino de lievelingsclub van voetbalhipsters.

  1. Geen doel, geen koers

Dat het middel van vroeger tegenwoordig een doel op zich is geworden, is een symptoom van een veel groter probleem waar het Nederlandse voetbal mee kampt. Dat bleek onlangs ook weer toen de KNVB een symposium organiseerde over de toekomst van ons voetbal. Er werd in Utrecht volop gediscussieerd over van alles en nog wat, maar de twee wezenlijke vragen werden niet gesteld: Waar willen we naartoe? En hoe gaan we dat bereiken?

Tot die twee vragen beantwoord zijn, heeft het Nederlandse voetbal geen doel en geen koers. Het ontslaan van KNVB-directeur Bert van Oostveen en diens bondscoach Danny Blind gaat niets uithalen als hun opvolgers de problemen niet bij de wortel aanpakken.

Het is broodnodig dat er een stip op de horizon wordt gezet, zodat het Nederlandse voetbal op termijn weer een trendsetter wordt. Pas als het einddoel helder en specifiek geformuleerd is, heeft het zin om over de grens te zoeken naar methodes om dat doel te bereiken.

Zo kunnen onze trainers hun hart ophalen in Portugal. Daar is binnen de universiteitsmuren een stroming ontstaan die luistert naar de naam tactische periodisering. Hoewel ik tactische periodisering met deze samenvatting tekort toe, kun je het kortweg omschrijven als raamwerk om een elftal de principes die ten grondslag liggen aan een specifieke speelwijze bij te brengen. Onder anderen José Mourinho en André Villas-Boas boeken daar al jaren successen mee. Samen hielpen ze FC Porto aan drie Europese trofeeën, iets waar Nederlandse clubs alleen maar van kunnen dromen.

Op het gebied van jeugdopleiding kunnen we juist weer veel leren van Spanje, waar een systematische werkwijze ontwikkeld is om spelers op te leiden. Iedere zichzelf respecterende club in Spanje heeft een afdeling methodologie, die trainingsmethodes bedenkt, ontwikkelt en evolueert. Zij bewaken zo de rode lijn in de opleiding. Een groot verschil met Nederland, waar talenten zijn overgeleverd aan de grillen van de jeugdtrainer die toevallig hun elftal leidt. Houdt hij van rondo’s, dan doen ze rondo’s en houdt hij van duurlopen, dan gaan ze duurlopen. In Spanje is dat ondenkbaar.

Wat zijn nu de vooruitzichten voor Oranje? De tactische problemen van het Nederlands elftal kunnen door een goede coach – zoals Louis van Gaal bewees in Brazilië – verholpen worden, maar Oranje zal ook roeien zijn met de riemen die de bondscoach heeft. Zo heeft Nederland simpelweg te weinig klassespelers die qua leeftijd (24-29) op hun top zijn. Tussen de oude generatie (met Van Persie, Robben en Sneijder) en de nieuwe generatie (met Memphis, Klaassen en De Vrij) zit een gapend gat. Daarnaast is het de vraag of Nederlandse clubs nog wel spelers opleiden die over de creativiteit beschikken die nodig is voor dominant voetbal.

Als Oranje op semi-korte termijn weer tot de wereldtop wil behoren, zijn er dus rigoureuze maatregelen vereist. Niet alleen in de technische staf van het Nederlands elftal, maar ook op de burelen in Zeist.

Cijfers via Opta Sports.

Vond je dit artikel leuk? Overweeg dan eens om het artikel als bedankje aan de auteur aan te schaffen met de Blendleknop hieronder!

About Pieter Zwart

Pieter is naast eindredacteur bij Catenaccio ook bureauredacteur bij Voetbal International. Hij is al vanaf het begin betrokken bij Catenaccio. Pieter richt zich vooral op financiële en tactische analyses, maar schrijft ook andere onderzoeksartikelen. Volg Pieter op Twitter | Meer artikelen van Pieter