De KNVB wil spelers meer verantwoordelijkheid laten nemen. Dit is hoe ze dat kunnen doen.  

In het veelbesproken KNVB-rapport ‘Winnaars van morgen’ en het debat over de toekomst van het Nederlandse voetbal wordt veel gesproken over vage begrippen zoals winnaarsmentaliteit. Eén van de centrale onderwerpen in het rapport is het nemen van eigen verantwoordelijkheid door jonge voetballers. Eigen verantwoordelijkheid kunnen nemen zou ze helpen om écht goed te worden. Maar hoe laat je voetballers zelf nadenken, in plaats van dat een trainer dat voor ze doet? Wat betekent het eigenlijk op een voetbalveld, verantwoordelijkheid? En hoe kan een speler of trainer er concreet mee aan de slag, zonder dat het een lege huls blijft? Wietske Idema is expert op dit gebied en legt uit.

De voetballerij mag zich gelukkig prijzen met de stelling die de KNVB inneemt over ‘eigen verantwoordelijkheid’. Als het de komende jaren lukt onze jeugdspelers hier een aantal stappen verder in te brengen, dan hebben we morgen échte winnaars. Uit wetenschappelijk onderzoek weten we namelijk dat spelers die weten ‘wat ze komen doen’ in de training zich sneller ontwikkelen. Voorbeeld: een speler die voor een partijvorm weet wat hij wil verbeteren heeft meer kans om de top te halen dan een speler die je ziet denken: ‘ik zie wel wat er vandaag weer gebeurt’.

De KNVB wil dat jonge voetballers niet langer aan het handje van hoeven te lopen

De KNVB wil dat kleine jongens groot worden en verantwoordelijkheid gaan nemen

 

Eigen verantwoordelijkheid nemen voor je ontwikkeling is alleen zo makkelijk nog niet, zeker op jonge leeftijd kan dit lastig zijn. Het betekent dat een jonge voetballer regisseur moet worden van zijn eigen leerproces. Dus: een speler wil de beste voetballer van de wereld worden? Dan moet hij eerst nadenken over wat hij goed kan, wat hij minder goed kan en vooral: waardoor dat komt. Op basis daarvan kan hij een realistisch doel stellen en bepalen welke acties hij moet gaan ondernemen. Tijdens het spelen zal de speler moeten monitoren en zijn acties moeten bijstellen en achteraf evalueren of hij zijn doel heeft behaald. Dit alles helpt de speler focussen op de dingen die voor hem belangrijk zijn en dat is de reden waarom hij er beter van gaat presteren. Dat is nogal wat om te vragen van jonge voetballers; ze doen het niet vanzelf. Hierin ligt een grote rol weggelegd voor jeugdtrainers. Zij moeten het nemen van verantwoordelijk klein en begrijpelijk maken, zodat het voor jeugdspeler eenvoudig wordt ook daadwerkelijk die verantwoordelijkheid te nemen.

Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Stel, Fons, twaalf jaar, zit in de jeugdselectie van een BVO en heeft altijd zin in de training. Hij geeft elke training honderd procent en doet precies wat van hem wordt gevraagd, het gaat goed. De trainer besluit dat Fons klaar is om meer verantwoordelijkheid te gaan nemen voor zijn ontwikkeling, zodat hij meer progressie kan gaan boeken. De trainer roept hem bij zich voordat een pass- en trapvorm start. Fons moet de trainer vertellen wat hij in deze oefening wil bereiken en waarom. Bij Fons stuitert de bal nogal eens ver van zijn voet als hij de bal aanneemt, omdat hij met zijn gedachten dan vaak al bij de pass is. Daarom besluiten ze te oefenen op zijn aanname, door op het moment dat hij de bal aangespeeld krijgt te proberen niet té snel te handelen. Hij moet eerst voelen dat hij de bal daadwerkelijk heeft aangenomen voordat hij hem naar zijn medespeler passt. Rustig blijven dus.

Tijdens het oefenen gaat Fons helemaal op in de oefening: hij beweegt goed, kijkt goed naar de bal en coacht zijn medespelers. De eerste paar ballen denkt hij aan zijn focus ‘rustig blijven’, maar dan gebeurt er iets waardoor hij er niet meer op let. De bal stuitert weer van zijn voet en zowel Fons als de trainer merken dat op. De trainer hoeft Fons alleen maar aan te kijken en hij is weer bij de les.

Aan het eind van de oefening loopt de trainer even naar Fons en vraagt hoe het ging. Fons heeft in de twintig minuten dat de pass- en trapvorm duurde negentien minuten zijn focus gehad en dat voelt goed. Hij heeft echt ergens aan gewerkt en de bal is maar één keer van zijn voet gesprongen. Hij vertelt de trainer dat dat kwam, doordat hij als hij de bal aan zag komen ‘gewoon even rustig deed’. De volgende keer gaat hij het weer zo doen, maar dan wil hij de bal wel sneller kunnen passen na de aanname.

Ook de trainer is tevreden; wat hij met Fons kan, kan hij met de andere spelers ook. Hij besluit de volgende trainingen steeds andere spelers dezelfde vragen te stellen, zodat de motivatie van al zijn spelers groter wordt. Zijn spelers ontwikkelen een enorme drive om beter te worden in de dingen die voor hen belangrijk zijn.

Bij het aanleren van eigen verantwoordelijkheid gaat het net zo als bij het aanleren van iets anders: de trainer is ‘in charge’. Als hij de speler niet aanmoedigt om op de regisseursstoel van zijn eigen ontwikkeling te gaan zitten, dan zal de speler dit ook niet snel doen. Er zijn al best wat mooie initiatieven waar de speler ‘aan het woord’ is, waaronder persoonlijke ontwikkelingsgesprekken. Alleen de echte verandering moet plaatsvinden op het veld. Dat is de plek waar zowel de trainer als de speler in zijn natuurlijke habitat is en waar direct geoefend kan worden met iets waar ze zich lekker bij voelen: voetballen. Dit klinkt logisch, maar als we weten en geloven dat we spelers kunnen leren om de regie te nemen, waarom doen we dat dan nog maar minimaal? Het antwoord is simpel: we vinden het niet normaal om op die manier te werken. Het druist namelijk in tegen alles wat we gewend zijn.

Wat we gewend zijn te doen is zeggen wat de speler het beste kan doen om het maximale uit zichzelf te halen. Wat nodig is, is de speler in ieder geval twintig minuten in de week laten nadenken over wat hij het beste kan doen om het maximale uit zichzelf te halen. Dit lijkt makkelijk, maar in de praktijk blijkt dat dit een grootschalige gedragsverandering van trainers vergt. Zij moeten veranderen in de manier waarop ze training geven en op het veld staan. De focus ligt vaak op de methodiek, dus: welke oefening bied ik aan en wat train ik daarmee? Terwijl de didactiek, dus de manier waarop de trainer de oefening aanbiedt en spelers de kans geeft erover na te denken, het verschil kan maken om de spelers te leren zelf verantwoordelijkheid te leren nemen. Een goede trainer stelt de speler vragen en geeft niet te snel antwoorden.

Wietske Idema schreef samen met Marjolein Torenbeek het boek ‘Zelfregulatie in de Sportpraktijk’. Ze werkt onder meer met de jeugdtrainers van PSV om de lessen uit haar boek in de praktijk te brengen.

Genoten van dit artikel? Overweeg dan eens om de auteur te verblijden met een kleine bijdrage via onderstaande knop:

About Wietske Idema

Wietske is socioloog en docent/onderzoeker bij HAN Sport & BewegenVolg Wietske op Twitter