De Hollandse School is springlevend (maar niet in Nederland)

De Hollandse School is dood. Met een klassieke 4-3-3-formatie is het Nederlands elftal er niet in geslaagd zich te plaatsen voor een EK waar 24 landen aan meedoen. Onze clubteams worden afgeslacht zodra ze de grens oversteken. Zelfs bij Ajax is de conclusie getrokken dat het zo niet langer kan. Met hoofd opleiding Wim Jonk is de laatste verdediger van het gedachtegoed van Johan Cruijff hardhandig naar de uitgang geduwd. Cruijff zelf trok vervolgens zijn handen van Ajax af, terwijl in diezelfde week bondscoach Danny Blind zwichtte voor de roep om een verdedigende 5-3-2 te spelen. Het Nederlandse voetbal heeft zijn ideologische veren afgeschud en zelfs in de media lijkt de roep om de Hollandse School te verstommen: het is tijd voor realisme en pragmatisme.

Danny Blind lijkt niet langer te geloven in de Hollandse School. Hij kiest voor een 5-3-2-formatie.

Danny Blind lijkt niet langer te geloven in de Hollandse School. Hij kiest voor een 5-3-2-formatie.

 

Voordat we de Hollandse School ritueel gaan begraven, moeten we eerst de vraag beantwoorden wat eigenlijk de inhoud is van deze ideologie. Daar doemt direct het eerste probleem op, want het begrip Hollandse School is zelden goed en helder beschreven. Wie zoekt op een definitie van de Hollandse School, komt uit bij de Nederlandse kunststroming in de Gouden Eeuw.

Zelfs bij de KNVB blijft het vaag wat er precies bedoeld wordt als er gesproken wordt over de Hollandse School. Een inventarisatie van de verschillende definities die gehanteerd worden, toonde aan dat deze allerminst eenduidig is. De talloze omschrijvingen van de Hollandse School zijn grofweg in te delen in drie categorieën.

  1. De Hollandse School is Oranje 1974 (of een ander elftal)

Deze definitie oogt in eerste instantie aannemelijk. Speelde het Nederlands elftal in 1974 volgens de Hollandse School? Het antwoord op die vraag is een duidelijke ja. Wanneer we deze omschrijving nader onderzoeken, blijkt echter al gauw dat de definitie te nauw is. Op de vraag wat een stoel is, kan ik een stoel aanwijzen en zeggen: ‘Dit is een stoel.’ Het spreekt echter voor zich dat niet alle stoelen hetzelfde zijn en dus schiet dit antwoord tekort.

Het Oranje van 1974 beschikt ongetwijfeld over kenmerken van een team dat de Hollandse School speelt, maar niet alle kenmerken van het Nederlands elftal uit 1974 (denk bijvoorbeeld aan het voetballen met een valse nummer negen) zijn noodzakelijke voorwaarden. Dat maakt dat zuiver één team aandragen als prototype van de Hollandse School te simplistisch is. Het antwoord zal eerder gevonden worden door verschillende elftallen te vergelijken die het predicaat ‘Hollandse School’ dragen. Zoals de definitie van een stoel ook voortkomt uit het vinden van de overeenkomsten van verschillende meubels die de naam stoel kunnen dragen.

  1. De Hollandse School is 4-3-3 (vul hier uw favoriete variatie in)

Ook deze definitie lijkt op het eerste oog plausibel. Oranje speelde op het fameuze toernooi in 1974 4-3-3 en datzelfde geldt momenteel voor het grootste deel van de Eredivisie. Deze omschrijving schiet echter eveneens tekort. In dit geval wordt op de vraag wat een stoel is, namelijk geantwoord: ‘Een meubelstuk met vier poten.’ Dat mag in de meeste situaties misschien zo zijn, maar de definitie is niet sluitend.

Dat blijkt al uit alle verschillende variaties die genoemd worden bij het 4-3-3-systeem. Volgens de één bestaat de Hollandse School uit het spelen met opkomende backs, een volgende zegt juist dat een inschuivende centrale verdediger cruciaal is. Beide speelwijzen sluiten elkaar uit. Zoals er ook discussie bestaat of er gespeeld moet worden met de punt naar voren of met de punt naar achter op het middenveld. En hoe noodzakelijk is het spelen met vleugelspelers met kalk aan hun schoenen? Het aanvaarden van dergelijke definities zal hoe dan ook leiden tot een veel te lange lijst met teams die onder de Hollandse School vallen, maar het in werkelijkheid niet zijn, of juist teams met een andere formatie uitsluiten die wél volgens de Hollandse School spelen.  Zo counterde manager José Mourinho zich in 2005 in 4-3-3 naar de Premier League-titel met Chelsea, maar weinigen zullen dit team zien als vertegenwoordiger van de Hollandse School. Aan de andere kant hebben we het Ajax van 1995, dat in een 3-4-3-formatie de finale van AC Milan won. Wanneer we aanvaarden dat de Hollandse School bestaat uit 4-3-3, dan zal dit team er niet toe behoren. Op je klompen kun je dus aanvoelen dat deze definitie niet deugt.

De basiself van Ajax in de Champions League-finale '95.

De basiself van Ajax in de Champions League-finale ’95.

 

Tegelijkertijd blijkt dat juist deze definitie het vaakst gehanteerd wordt. Er zijn zelfs Nederlandse clubs die in hun statuten opgenomen hebben dat bij het eerste elftal altijd 4-3-3 gespeeld moet worden. Zo leidt een onschuldige omschrijving tot een dogma dat het Nederlandse voetbal bedreigt. Wanneer je denkt dat een stoel noodzakelijkerwijs vier poten moet hebben, dan zal je niet zo snel op het idee komen om een stoel met twee of drie poten te maken.

  1. De Hollandse School is het toepassen van spelprincipes die moeten leiden tot attractief voetbal (vul hier uw spelprincipe in)

Deze derde en laatste definitie is het meest werkbaar van de drie. Het is niet te specifiek en niet te abstract. De spelprincipes beschrijven het begrip zoals ‘een meubelstuk met poten en een rugleuning’ dat doet voor een stoel. Door het toevoegen van een doel ‘het spelen van attractief voetbal’ wordt bovendien zin gegeven aan het begrip, zoals een stoel ‘om lekker op te zitten’. De Hollandse School schrijft niet alleen voor dat er op de stoel gezeten moet worden, maar stelt daar ook bepaalde eisen aan. Het publiek vermaken (lekker zitten) is binnen de Hollandse School immers een doel op zich.

Dat leidt uiteindelijk tot de volgende definitie: ‘De Hollandse School is het hanteren en doorvoeren van spelprincipes die moeten leiden tot initiatiefrijk en attractief voetbal, teneinde een zo goed mogelijk resultaat te behalen.’ Hiermee is het het doel en de vorm van de Hollandse School afgedekt. Nu moet alleen nog worden vastgesteld welke spelprincipes tot het gewenste resultaat leiden.

Spelprincipes

Om een antwoord te vinden op die vraag beroepen we ons op de uitspraken van Johan Cruijff, die gezien mag worden als de voornaamste protagonist van de Hollandse School. Hij speelde een dominante rol in het Ajax van de jaren zeventig, het Oranje van 1974 en was vervolgens ook als trainer vernieuwend.

Johan Cruijff is een van de voornaamste protagonisten van de Hollandse School.

Johan Cruijff is een van de voornaamste protagonisten van de Hollandse School.

 

Zelf heeft Cruijff echter nooit duidelijk zijn spelprincipes op een rij gezet, dus zullen we die moeten abstraheren uit zijn uitspraken. Dat heeft geleid tot negen spelprincipes die kenmerkend zijn voor de Hollandse School.

  1. Klein houden van veld

“Als ik de hele tuin moet verdedigen ben ik de slechtste, als ik dit stukje moet verdedigen ben ik de beste; alles heeft te maken met meters, meer niet.”

De basis van de Hollandse School is het optimaal benutten van ruimtes. Het meest revolutionaire aan het Oranje van 1974 was dat de buitenspelval voor het eerst gehanteerd werd als aanvallend wapen. De achterste linie stormde naar voren, maakte zo de ruimtes voor de tegenstander kleiner en veroverde zo vaak de bal. ‘Voor de goede orde: spelen op buitenspel is een aanvallende actie’, schreef Cruijff daarover in De Telegraaf. ‘Omdat de buitenspelval bepaalt hoe groot het speelveld is.’

Cruijff legde vervolgens de logica achter het zo klein mogelijk maken van de ruimtes wanneer de bal niet in bezit is uit. ‘Het wordt de tegenstander te vaak te gemakkelijk gemaakt. Door twee of drie meter ruimte te geven, lijken ze vaak betere voetballers dan ze in werkelijkheid zijn. Zit je er bovenop, dan blijken ze vaak veel minder goed. Voorkom daarom dat tegenstanders beter worden dan ze eigenlijk zijn.’

In balbezit wordt in feite al voorgesorteerd op het moment van balverlies. Cruijff hamert altijd op de onderlinge afstanden tussen spelers, die volgens hem vooral in de as nooit te groot mogen zijn. Cruciaal hierbij is het creëren van linies, zodat bij balverlies het elftal als een harmonica in elkaar kan schuiven.

Sinds 1974 is het klein houden van het veld alleen maar belangrijker geworden. Bij internationale coaches is compactheid een toverwoord geworden. Dit spelprincipe van de Hollandse School is dus actueler en wijdverspreider dan ooit.

  1. Direct druk op de bal zetten bij balverlies

‘Bij balverlies was de spits onze eerste verdediger en die instelling liep door het hele team. Essentieel bij omschakeling.’

Om te kunnen aanvallen is het noodzakelijk om scherp te zijn bij te omschakeling bij balverlies. Cruijff legt uit dat zo voorkomen kan worden het hele elftal terugzakt naar de eigen helft. ‘Er moet op elke plaats in het veld verdedigd worden, dat kost het minste energie want dan moet je niet helemaal terug lopen om een doelpunt te maken.’

De pressing van Oranje in 1974.

Behalve vanuit het oogpunt van het sparen van krachten, ziet Cruijff direct pressing geven bij balverlies ook defensief gezien als de juiste strategie. ‘Op die manier hou je de tegenstander in de tang, blijven de ruimtes klein en haal je de diepte uit hun spel.’ Een extra voordeel van het druk geven bij balverlies is dat de tegenstander waarschijnlijk veel inspanning heeft moeten doen om te bal te veroveren en niet goed georganiseerd staat, waardoor het makkelijker is de bal terug te winnen.

In het hedendaagse voetbal luistert deze tactiek naar de naam counterpressing, een breed gedocumenteerd fenomeen: ‘Counterpressing is de beste spelmaker ter wereld’, zei de huidige Liverpool-manager Jürgen Klopp in zijn tijd bij Borussia Dortmund. Collega Pep Guardiola past hetzelfde principe toe bij zijn teams.

De counterpressing van Klopp bij Liverpool.

  1. Ruimtes verdedigen in plaats van tegenstanders

‘Als je een speler niet dekt, dan kan hij ook niet uit de dekking lopen.’

Johan Cruijff begreep als trainer dat een ploeg ook kan ageren zonder balbezit te hebben. ‘Je kunt domineren met bal en je kunt domineren zonder bal.’  De enige manier om dat laatste te bewerkstelligen, is door zonedekking te hanteren. Dan moet de tegenstander zich namelijk aanpassen aan jouw positionering. Wanneer dat gecombineerd wordt met het klein houden van het veld en pressing, dan heeft de opponent geen moment rust.

Cruijff heeft ook nog een persoonlijke reden om te kiezen voor zonedekking. Hij is namelijk een te grote liefhebber om grote spelers een directe bewaker mee te geven. ‘Ik houd van creatieve spelers. (..) Ik zal zo’n speler nooit proberen uit te schakelen door middel van een mandekker. Ik kijk welke spelers hem aanspelen, vervolgens probeer ik dat te verhinderen, waardoor hij geen ballen krijgt. Als hij de helft van de ballen krijgt, heb ik nog maar een half probleem.’

Inmiddels is zonedekking in bijna alle grote competities de standaard. Trainers hebben namelijk ontdekt dat met een goede organisatie een gebrek aan kwaliteit kan worden gecompenseerd. De Eredivisie vormt een uitzondering op deze trend.

  1. Diepte voor breedte

‘Een speelstijl waarin de breedtepass onacceptabel is.’

Johan Cruijff is allergisch voor breedtepasses in de opbouw. Hij wil namelijk dat zijn middellinie op de helft van de tegenstander in balbezit komt, met het gezicht naar het doel. Om dat voor elkaar te krijgen, gaat bij hem de regel op dat diepte altijd voor breedte gaat. ‘Een basisregel is dan om de bal twee linies verder in te spelen. Op die manier speel je automatisch naar de bal toe en van het doel af’, legde hij dit principe eens uit. ‘Vanuit die tweede linie laat je de bal weer een linie terugvallen, waarbij veel spelers achter de bal blijven en tegelijk het spel voor zich hebben.’

Cruijff legt uit dat dit principe vooral belangrijk is tegen teams die druk proberen te zetten. Wanneer de bal dan in de breedte verplaatst wordt, loop je het risico dat je opgesloten raakt. Door zo snel mogelijk de weg naar voren te kiezen – zonder een blinde lange bal te hanteren – voorkom je dat.

In de laatste decennia is voetbal steeds meer een sport geworden waarin de omschakeling cruciaal is. Teams zijn vaak zo goed georganiseerd dat ze vrijwel alleen direct na het lijden van balverlies kwetsbaar zijn. Op het afgelopen WK gingen gemiddeld nog geen drie passes vooraf aan een doelpunt. Vooral bij balwinst is het derhalve van belang om diepte voor breedte te verkiezen, anders wordt nagelaten om de opponent te verrassen.


Het principe van diepte voor breedte in beeld bij het Barcelona van Pep Guardiola

  1. Bouw op door de as

‘Het probleem begint al met het aanspelen van de backs. Je houdt dan nog een kwart van het veld over. Met die 25 procent moet de back het doen en zodra de tegenstander druk zet, blijft er weinig anders over dan de bal terug op de doelman te spelen.’

Om te kunnen domineren, is het nodig om zoveel mogelijk balbezit te hebben in de as van het veld. Wanneer de veldbezetting goed is, hebben spelers in het centrum immers altijd meerdere afspeelmogelijkheden. Hierdoor wordt het voor tegenstanders lastiger om de opbouw te verstoren.

Johan Cruijff gruwelt er dan ook van als hij ziet dat een back de opbouw verzorgt. Hij is van mening dat backs alleen in de aanval ingeschakeld mogen worden en dus niet als de bal achterin is. Als trainer koos Cruijff bij Barcelona met Ronald Koeman en Pep Guardiola voor twee pure voetballers in de as van zijn defensie. Dit maakte het mogelijk om buitenspelers en spitsen aan te spelen, als zij tussen de linies bewegen. De bedoeling is dat deze aanvallers de bal vervolgens kaatsen naar een middenvelder, die dan het spel voor zich heeft.

Ook voor dit spelprincipe geldt dat dit in het internationale voetbal inmiddels de norm is. De Duitse voetbalbond (DFB) verdeelt bijvoorbeeld het veld horizontaal in vijf vlakken. De meest centrale strook wordt beschouwd als het meest waardevol: hier kun je alle kanten op en ben je het dichtst bij het doel. Aangezien deze strook echter altijd drukbezet is, heb je ook weinig tijd om keuzes te maken. Dus gaat veel aandacht uit naar de zogenoemde halfspaces. Ook deze stroken liggen redelijk centraal, maar het is er minder druk en bovendien is er de mogelijkheid tot het geven van een diagonale pass die lastig te verdedigen is. Pep Guardiola haalt allerlei trucs uit de kast om het centrum te domineren. Bij Barcelona was spits Lionel Messi in balbezit een extra middenvelder, bij Bayern laat hij vaak zijn backs naar het centrum trekken.

  1. Derde man en driehoekjes

‘Dit heeft ook niets met positiespel te maken. Omdat de derde man niet aangespeeld kan worden. Dus zie je in de eredivisie zomaar dertig terugspeelballen per wedstrijd.’

Als Johan Cruijff praat over positiespel, dan gaat het vaak over driehoekjes en het creëren van de derde man. De theorie achter het creëren van driehoekjes op het veld is simpel: de veldbezetting van een team is in de ogen van Cruijff optimaal als spelers altijd twee afspeelmogelijkheden hebben.

De zogenoemde derde man is een gevolg van het samenkomen van verschillende driehoekjes op het veld. De derde man is de speler die gaat bewegen op het moment dat twee teamgenoten een combinatie opzetten. Dit blijkt in de praktijk lastig te verdedigen, aangezien de opponent vaak zijn aandacht focust op het bewegende duo. In plaats van een één-twee aan te gaan, kan de tegenstander verrast worden door de lopende derde man aan te spelen.

Dat Cruijff vaak pleit voor het spelen van 4-3-3 is een gevolg van het spelprincipe dat hij driehoekjes wil zien op het veld en geen doel op zich. ‘Vier achter en vier op het middenveld kan nooit functioneren. Je driehoeken vallen weg. Je moet altijd driehoeken hebben, want alleen dan heb je constant twee afspeelmogelijkheden.’

Voor teams die die bal willen hebben, is het creëren van driehoekjes nog steeds cruciaal. Succesvolle coaches als Thomas Tüchel, Pep Guardiola, Luis Enrique, Louis van Gaal, Marcelo Bielsa en Jorge Sampaoli onderstrepen allemaal het belang ervan.

  1. Creëren van één-tegen-één

‘Als mijn aanvaller één-tegen-één komt zeg ik altijd: “Laat het hem lekker uitzoeken.” Dan zeggen de spelers: “We kunnen hem toch helpen?” Mijn antwoord is dan: ten eerste is de kans groot dat je in de weg loopt en bovendien trek je als tweede aanvaller een tweede verdediger mee en twee tegen twee is moeilijker dan één-tegen-één.’

Voor Johan Cruijff is het creëren van één-tegen-één-situaties een belangrijk aanvallend wapen. De voormalig nummer veertien gaat uit van een team waarin de voorhoede over exceptionele kwaliteiten beschikt. Het doel van het positiespel is dan ook om deze spelers hun individuele actie te laten maken, zodat er overtalsituaties gecreëerd worden in gevaarlijke posities.

Cruijff ziet te vaak teams waarin dit principe niet begrepen wordt. ‘Nu komt Robben in balbezit en bewegen de rechtsback en spits naar hem toe. In plaats van een 1-tegen-1-situatie wordt het 3-tegen-3 en is het voordeel weg.’ Dit spelprincipe gaat ook op in de andere richting: wanneer een aanvaller in een één-tegen-één gebracht kan worden, moet hij aangespeeld worden in plaats van dat de bal eerst breed gaat.

Volgens Pep Guardiola gaat dit spelprincipe in alle teamsporten op. ‘Het geheim is om een overtal te creëren aan één kant van het veld, zodat de tegenstander moet kantelen om defensief niet te kwetsbaar te worden. Door een overtal te creëren, lok je ze die kant op en vervolgens kun je ze aan de andere kant treffen.’ 

  1. Positiewisselingen

‘Zet er één in de spits, maak er een tutti frutti van.’

Een ander belangrijk spelprincipe van Johan Cruijff is het creëren en profiteren van operationele ruimtes. Dit idee van Cruijff ontstond al in zijn actieve carrière, toen hij als spits steeds meer over het veld ging zwerven om zich te ontdoen van mandekkers. Dit leidde ertoe dat in de punt van de aanval een operationele ruimte ontstond. Andere spelers zoals Piet Keizer, John Rep en Johan Neeskens profiteerden hiervan door om beurten in de spits op te duiken en zo verwarring te veroorzaken.

Het wisselen van posities en spelen met ruimtes zijn goede manieren om een goed georganiseerde tegenstander te ontregelen. Dit is tevens de belangrijkste gedachte achter Totaalvoetbal: als de linksbuiten ook kan verdedigen en de linksback kan aanvallen, dan kunnen zij afhankelijk van de situatie van positie wisselen. Dit vergt veel voetbalintelligentie bij de spelers, maar leidt bij een goede uitvoering tot een flexibel en lastig te bespelen geheel.

In het hedendaagse voetbal is Universality – vrij vertaald multifunctionaliteit – een kernbegrip. Van spelers wordt verwacht dat ze over de kwaliteiten beschikken om op meerdere posities en in meerdere rollen uit de voeten te kunnen. Het is een ontwikkeling die in de jaren tachtig al voorspeld werd door toenmalig AC Milan-trainer Arrigo Sacchi: ‘Het voetbal zal veranderen in een spel dat steeds meer bestaat uit één groot middenveld.’ Wat de Italiaan bedoelde: de ruimtes zullen steeds kleiner worden, dus is er steeds minder ruimte voor specialisten. De spelmaker die niet meeverdedigt, de buitenspeler met het krijt aan de schoenen, de balletjesafwachter in de spits en de houthakker achterin: ze worden met uitsterven bedreigd.

Voetbal is een spel geworden dat in steeds kleine ruimtes gespeeld wordt, dus zijn positiewisselingen en het spelen met operationele ruimtes belangrijker dan ooit. Vrijwel ieder topteam heeft dit soort varianten. Kijk bijvoorbeeld alleen al naar middenvelders die aan de zijkant worden geposteerd om een overtal te creëren in het centrum. Dit soort tactische trucs zijn tegenwoordig eerder regel dan uitzondering.

  1. Profiteer van zwaktes

‘Vind de zwakke plek van je tegenstander en je hebt gewonnen.’

Het negende en laatste spelprincipe van de Hollandse school is het profiteren van zwaktes bij de tegenstander, door middel van tactische aanpassingen. ‘Het moeilijke van een makkelijke wedstrijd is om een zwakke tegenstander slecht te laten voetballen’, verwoordde Johan Cruijff dat ooit.

De Hollandse School is uitgaan van eigen kracht, maar ook aanpassingen doen om het aanvallende rendement te verhogen. Cruijff verklaarde in gesprek met Het Parool: ‘Ik ben de straatvoetbalcoach. Ik probeer elk voordeeltje uit te buiten.’ Een fameuze truc van Cruijff was om een type als Michael Laudrup in de spits te zetten en zo de mandekkers te laten ‘zwemmen’.

Pep Guardiola legt uit hoe hij zich met Bayern München aanpaste aan een tegenstander met vijf verdedigers.

Guardiola heeft dit principe van zijn leermeester naar een hoger niveau getrokkken. Voor hem is dit nu de kern van zijn vak. ‘Ik ga zitten, kijk video’s en maak aantekeningen. Dat is wanneer het moment van inspiratie komt’, aldus de Spanjaard in het briljante boek Pep Confidential. ‘Dan weet ik ineens zeker dat ik het heb, dat ik weet hoe we gaan winnen. Dat is het moment dat mijn beroep zin geeft.’

Toetsen

Nu we een definitie van de Hollandse school gekoppeld hebben aan negen spelprincipes kunnen we deze toetsen aan teams die de naam hebben dit spelsysteem toe te passen.

spelprincipes

Uit deze inventarisatie blijkt dat deze vertegenwoordigers van de Hollandse school inderdaad passen binnen de opgestelde definitie. Dat betekent niet dat deze definitie onfeilbaar is, maar het kan wél dienen als startpunt voor de discussie wat de Hollandse school nu eigenlijk inhoudt.

Identiteit

Aan de hand van de opgestelde definitie kunnen we ook kijken of onze teams op dit moment spelen volgens de principes van de Hollandse school. Pas als dit het geval is, kunnen we namelijk concluderen dat de tegenvallende prestaties in de Europa League en de EK-kwalificatiereeks te wijten zijn aan de Hollandse school.

spelprincipes2

Vitesse is de ploeg die het best voldoet aan de definitie van de Hollandse School, terwijl opvalt dat Oranje geen van de negen geformuleerde spelprincipes toepast. Het Nederlands elftal speelt namelijk volgens een andere definitie die genoemd is: de Hollandse School is 4-3-3 (met zoveel mogelijk balbezit). Deze manier van spelen staat echter mijlenver af van het voetbal dat Johan Cruijff als protagonist van de Hollandse school bepleit.

Of zoals Cruijff het zelf zegt:  ‘Er zijn veel mensen die kunnen zeggen dat een voetbalploeg slecht speelt; er zijn weinig mensen die kunnen zeggen waarom ze slecht speelt en er zijn slechts een paar mensen die kunnen zeggen wat er moet gebeuren om ze beter te laten spelen.’

Laten we dus oppassen dat we het kind niet met het badwater weggooien. Nederland kan uitstekend zonder het dogma dat iedere club 4-3-3 dient te voetballen, met buitenspelers met krijt aan de schoenen en zoveel mogelijk balbezit. Dat betekent echter niet dat de spelprincipes van de Hollandse School dood zijn, want coaches als Thomas Tüchel (Borussia Dortmund), Jorge Sampaoli (Chili), Michael Laudrup (clubloos) en Pep Guardiola (Bayern München) zijn met moderne interpretaties daarvan nog steeds succesvol. Daarmee zijn de spelprincipes absoluut geen succesgarantie, maar het omgekeerde is evenmin waar.

Misschien moet het Nederlandse voetbal dus niet afstappen van zijn identiteit, maar juist proberen om zijn oorspronkelijke identiteit te hervinden. De Hollandse School is namelijk nog altijd springlevend, maar niet in Nederland.

De quotes van Johan Cruijff zijn afkomstig uit zijn columns in De Telegraaf, zijn analyses bij de NOS, zijn boek ‘Voetbal’ en boeken met verzamelde quotes van Cruijff, zoals ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt’ en ‘Johan Cruijff uitspraken.’

Heb je genoten van dit artikel? Overweeg dan eens om het te kopen via onze Blende-knop hieronder. Gewoon als bedankje! 

About Pieter Zwart

Pieter is naast eindredacteur bij Catenaccio ook bureauredacteur bij Voetbal International. Hij is al vanaf het begin betrokken bij Catenaccio. Pieter richt zich vooral op financiële en tactische analyses, maar schrijft ook andere onderzoeksartikelen. Volg Pieter op Twitter | Meer artikelen van Pieter